MDCCXCIX.
O quantum terræ, quantum cognoscere coeli Permissum est! pelagus quantos aperimus in usus! Nunc forsan grave reris opus: sed lætarecurret Cum ratis, & caram cum jam mihi reddet Iölcon; Quis pudor heu nostros tibi tunc audire labores! Quam referam visas tua per suspiria gentes!
VALERIUS FLACCUS, Argonaut. Lib. I. vs, 168--173.
VOORREDEN VAN DEN VERTAALER.
In den jaare 1796. kwam in twee deelen in groot quarto, te London te voorschyn eene Reisbeschryving, onder deezen tytel: Narrative, of a five years expedition, against the Revolted Negroes of Surinam, in Guiana, on the Wild Coast of South America; from the year 1772, to 1777: elucidating the History of that Country, and describing its productions, viz. Quadrupedes, Birds, Fishes, Reptiles, Trees, Shrubs, Fruits & Roots; with an account of the Indians of Guiana & Negroes of Guinea: by Captain J. G. STEDMAN. Illustraded with 80 elegant Engravings, from drawings made by the Author.
De meer dan gewoone pracht en kostbaarheid, waar mede deeze Engelsche uitgaaf is volvoert, doet reeds dadelyk iets groots van dit werk verwagten: en in de daad de doorbladering van het zelve zal die verwagting geenzints te leur stellen. Eene aanéénschakeling van merkwaardige gebeurtenissen in eenen gemakkelyken en bevalligen styl voorgestelt, maakt de leezing van dit werk aangenaam; en het onderwerp is tevens belangryk. Meer dan één Schryver heeft wel ondernomen eene beschryving der Surinaamsche Volkplanting te leveren; maar verder dan dezelve door Europeaanen bebouwd en bewoond word, brengen zy het byna nooit. De Zand-Woestynen of Savanen zyn de grenspaalen, welke deeze Schryvers niet te buiten gaan. Maar vermits de Capitain STEDMAN, door het bywoonen van eenen tocht tegen oproerige Negers, tot in derzelver diepste schuilhoeken, door byna ontoegankelyke bosschen en moerassen, is doorgedrongen, treffen wy hier byzonderheden aan, die elders te vergeefs gezocht zouden worden, en des te meer opmerking verdienen, om dat ze overal de kenmerken dragen van zuivere waarheid, zonder opsmukking of vergrooting, waar door andere werken van dien aart veelal bedorven worden, en hunne achting verliezen. Met recht beschouwd men dit werk als het volledigst Tafereel der Volkplanting van Surinamen, eene bezitting, voor meer dan ééne Europeesche Natie van het grootste aanbelang.
Geen wonder derhalven, dat in verscheide tydschriften in Engeland, in Frankryk, in Duitschland, met lof van dit werk gewaagd wierd. Geen wonder, dat de Burger P. T. HENRY zig verledigde, om 'er eene Fransche Vertaaling van te leveren, welke in den jaare 1798. in drie deelen in 8VO. te Parys in 't licht verscheen. Geen wonder eindelyk, dat men in Duitschland 'er in één Deel in 8VO. een zoort van uittrekzel uit gemaakt heeft.
Alle deeze redenen bewoogen dan ook den Uitgever deezes, om dit zoo bevallig, als nuttig werk in een Hollandsch kleed te steeken, en den Nederlanderen ter leezing aan te bieden. Wat de uitvoering der vertaaling betreft, men heeft de Engelsche uitgaave tot den grondslag gelegt, maar ook tevens gemeend gebruik te moeten maken van de Fransche vertaaling, waar aan de verëischten eener goede overzetting met recht worden toegekend. Men heeft dit voornamelyk gedaan in tweërlei opzigt: voor eerst door, even gelyk de Fransche Vertaaler gedaan heeft, weg te laaten de hier en daar ingevlochtene plaatsen, uit Engelsche Dichters, en andere uitweidingen, die geene andere verdiensten hebben, dan dat ze eenen al te kostbaaren optooy aan het werk geven: en ten tweeden, dat men de plaaten, die in de oorspronkelyke uitgaave tot een getal van tachtig waaren aangewassen, in zoo verre vermindert heeft, dat men de zulke, die in werken over de Natuurlyke Geschiedenis, en over de kennis der Planten en Gewassen gemakkelyk genoeg te vinden zyn, tot vermyding van te groote kostbaarheid heeft agter wegen gelaten, en voorts die geene, welke geplaatst zyn geworden, tot op die maate verkleind, dat ze voor eene uitgaave in 8vo. geschikt waaren--
De Vertaaler heeft 'er zig voorts op toegelegt, om in zuiver Hollandsch, ontdaan van het taaleigen der Engelschen en Franschen, door welk gebrek dikwerf zoo veele vertaalingen voor den Lezer ondraaglyk worden, het werk van onzen STEDMAN over te gieten, en zig daar toe van eenen styl te bedienen, die door deszelfs woordenschikking bevattelyk en niet vermoeiend was. Hoe verre hy hier in geslaagd is, word aan het bescheiden oordeel des Lezers overgelaaten: terwyl hy zig vermeent te mogen vleijen met de hoop, dat de goedkeuring van deezen zynen arbeid, en van de wyze van deszelfs uitvoering, hem zal aanmoedigen, om met den meesten spoed denzelven te voltooijen.
VOORREDEN VAN DEN SCHRYVER.
Dewyl dit werk misschien één van de zonderlingste voortbrengzels is, die immer aan het Publiek zyn aangeboden, oordeele ik gepast te zyn den lezer een korte schets te geven van het geen hy staat te doorbladeren. Ik heb de stoffen getracht te rangschikken, even gelyk in een groote tuin, alwaar men de welriekende bloem tevens met de steekende doorn ontmoet; de met gouden lovers gespikkelde kapel zig laat zien op de plaats, alwaar de verachtelyke worm kruipt; en het schitterendst pluimgedierte in de donkerste schaduwe huisvest. Het geheel, met zulke verschillende kleuren afgemaalt, zal, zoo ik hoop, onderrigting en vermaak zamenpaaren, zonder den geest te vermoeien of te verveelen, en het verstand te verzwakken; wel niet met de hedendaagsche pracht en luister van styl, maar door een eenvouwdig verhaal, waar van de getrouwheid het hoofd-cieraad is.
In de verschillende caracter-schetsen van eenen Bevelhebber, eenen oproerigen Neger, een Planter en een Slaaf, is hier niet alleen de dwinglandye ontvouwt, maar zyn ook de weldaadigheid en menschlievenheid bloot gelegt. De Krygsheld, de Geschiedschryver, de Koopman, en de Beminnaar der Natuurlyke Wysbegeerte, zal hier lichtelyk iets aantreffen dat hem vermaakt; terwyl ik, myne byzondere voorvallen overal hebbende ingevlochten, eenige verschooning vragen moet; schoon niet met opzigt tot het gebeurde met die bevallige Slavin, die zeker niet de min belangrykste vertooning in deeze bladen maakt: vrouwelyke deugd immers in eenen staat van rampspoed, vooral wanneer ze met jeugd en schoonheid vergezeld gaat, moet steeds bescherming vinden.
Over het geheel misschien mag ik eenige toegeeflykheid verwagten, wanneer de Lezer in 't oog houd, dat hy geen Roman leest, door loutere verbeelding zaamgeflanst, maar eene wezentlyke Geschiedenis, door geene wonderbaare voorvallen opgepronkt; het werk van een Officier, die zyn pen en penceel zonder medehulp gebruikt heeft, en dat op de plaats zelve; eene omstandigbeid, die zeldzaam voorvalt.
Met opzigt tot de afschuwelyke wreedheden, door my zoo meenigwerf verhaald, zy het genoeg te weten, dat anderen van dergelyke onmenschelyke bedryven af te schrikken en deugd in te boezemen, myn eenige dryfveer was; terwyl het aan den anderen kant niet moet worden uit 't oog verloren, dat vryheid, even zeer als te groote zachtheid, wanneer zy aan ongeletterde en van alle beginzelen verstoken menschen schielyk vergunt word, voor beide partyen gevaarlyk, zoo niet verderffelyk is. Getuigen zyn de Ouca- en Saraméca-Negers in Surinamen; de Maroni-Negers van Jamaica; de Caraïben van St. Vincent; enz.
Terwyl intusschen de Surinaamsche Volkplanting van het bloed der Africaansche Negers rookt, vind ik my verpligt naar waarheid op te merken, dat het de Hollanders alleen niet zyn, die daar aan schuldig staan; maar dat meest aan andere volken, en voornamelyk aan de Joden, deeze zoo algemeene en helsche barbaarsheid te wyten is.
De Lezer gelieve deeze bladen met onpartydigheid en bedaardheid door te loopen; de bloemen van het onkruid te schiften; het goud verstandelyk van het schuim af te scheiden; en misschien zal hy zig de uuren niet beklagen, die hy 'er aan besteed heeft. Eenige weinige misslagen in de spelling en onnaauwkeurigheden ontdekken zig, voornamelyk in het eerste Deel, vermits ik volstrektelyk ben verhindert geworden, het toezigt over de verbetering der Drukproeven te houden; maar in een korte Lyst van eenige weinige drukfeilen, en voornamelyk in het Register, waar toe ik den nieuwsgierigen verwyze, kan men de naamen van menschen en zaaken juist gespelt vinden. Laat dit evenwel zoo niet worden opgevat, dat ik my beroemen durve in schrift en teekening steeds uit te munten; maar vermits de zuivere en mannelyke waarheid, waar van men zoo dikwils spreekt, maar die men zoo zeldzaam vind, eene wezentlyke waarde heeft; vertrouw en hoope ik, dat dit werk den aandacht van het Britsch Publiek niet geheel onwaardig zyn zal.
INHOUD DER HOOFTSTUKKEN.
I. HOOFTSTUK.
Inleiding.--Opstand der Negers in verscheide gedeelten van Hollandsch Guiana.--Toebereidzels te Texel tot een tocht derwaarts.--Het uitloopen van de Vloot.--Overtocht.--Het inloopen in de Rivier van Surinamen.--'t Goed onthaal, dat het Krygsvolk in deeze Volkplanting ontfing.--Schets der inwoonders, &c.
II. HOOFTSTUK.
Algemeene beschryving van Guiana.--Van de Volkplanting van Surinamen in 't byzonder.--Tydstip van derzelver ontdekking.--Dezelve word bezeten door de Engelschen en Hollanders.--De Gouverneur, de Heer VAN SOMMELSDYK, vermoord.--De Volkplanting word door de Franschen genomen, en onder schatting gesteld.
III. HOOFTSTUK.
Eerste opstand der Negers en deszelfs oorzaaken.--Elendige staat der Volkplanting.--Gedwongen vrede met de Muitelingen.--Muitery der Zee-Soldaaten, Matroozen, enz.
IV. HOOFTSTUK.
Eene korte tusschenpoozing van overvloed en vrede.--Nieuwe opstand, welke groote nadeelen, en byna den ondergang der Volkplanting veroorzaakt.--Monstering van het Krygsvolk tot derzelver verdediging.--Gevecht tusschen dezelve en de muitelingen.--Goed gedrag van eene bende Negers.--Aankomst der Zee-Soldaaten van den Colonel FOURGEOUD.
V. HOOFTSTUK.
Het toneel verandert.--Beschryving van eene schoone Slavin.--Manier om door Surinamen te reizen.--De Colonel FOURGEOUD neemt den loop der Rivieren op.--Barbaarsheid van eenen Planter.--Elendige behandeling, welke sommige bootsgezellen ondervinden.
VI. HOOFTSTUK.
Verschrikkelyke straföeffening.--Onzekere gesteldheid der Staats-zaaken--Korte tusschenpoozing van vrede--Een Officier gedood, en zyne geheele Krygsbende aan stukken gehouwen.--Algemeene wapenkreet in de Volkplanting.
VII. HOOFTSTUK.
Vertrek der gewaapende vaartuigen tot verdediging der Rivieren.--Beschryving van het Fort Amsterdam.--Krygstocht naar het bovenste gedeelte van de Rivieren Cottica en Patamaca.--Groote sterfte onder het krygsvolk.--Gezicht van den Wacht-post van Devil's Harwar.
VIII. HOOFTSTUK.
De Muitelingen verbranden drie Plantagiën, waar van zy de bewooners vermoorden.--Tafereel van armoede en elende.--Optocht dwars door de bosschen van Surinamen. De Colonel FOURGEOUD en het overig krygsvolk verlaat Paramaribo.
IX. HOOFTSTUK.
Kakkerlakken.--Ziekten, die aan de luchtstreek van Guiana eigen zyn.--Papegaijen, genaamt Macaws.--Nieuwelings aangebragte Negers, om als slaven verkogt te worden.--Aanmerkingen over de behandeling der Negers.--Hunne reize van Africa naar America.--Manier van het verkoopen der slaven te Surinamen.--Beschryving eener Catoen-Plantagie.