
Public-domain ebook
Elsje
by A. C. Kuiper
Language: nl401 downloads on Project Gutenberg
Subjects
In: Children & Young Adult Reading·Novels
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #14580.

Public-domain ebook
by A. C. Kuiper
Language: nl401 downloads on Project Gutenberg
Subjects
In: Children & Young Adult Reading·Novels
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #14580.
The opening · free to read
Derde druk.
Haarlem Vincent Loosjes 1906.
Hoofdstuk I.
Een vroolijke Wandeling.
"Als 't je blieft, kereltje, hier is de stroopkan. Pas goed op en kijk waar je loopt; de kan is heel vol, zooals je ziet. Wacht maar, ik zal je wel even het stoepje afhelpen. Ziezoo, loop nu maar heel voorzichtig, hoor. Dag ventje!"
En de goedhartige kruideniersbediende keek het kleine mannetje van vijf jaar na, dat met een ernstig gezichtje en stijf op elkaar gedrukte lippen, langzaam de stille dorpsstraat door ging. Met de volle stroopkan stevig tusschen zijn kleine roode handen geklemd, het hoofd een weinig voorover gebogen en schuifelende pasjes, liep hij voorzichtig voort over de ongelijke steenen, die hier en daar verraderlijk glad waren, want het had hard gevroren de laatste dagen en hoewel de zon op enkele plaatsen de ijskorst deed wegsmelten, dat maakte de straat niet minder glibberig. Ons manneke was daarop echter bedacht; hij haastte zich niet en het duurde een heel poosje, eer zijn grappig rond figuurtje langs den hoek der straat verdween.
"Ziezoo, die zal wel veilig bij zijn moeder komen," zei de bediende, den winkel weer binnengaand. "En wat moet jij nu hebben, Elsje?" vroeg hij, zich tot een meisje wendend, dat geduldig bij de toonbank stond te wachten. Zij zag er frisch en gezond uit met haar roode wangen en heldere, blauwe oogen en het gladgestreken blonde haar kwam even onder het donkerroode wollen mutsje te voorschijn, dat zij onder de kin vastgestrikt droeg. Onder den warmen, zwartwollen doek, die om haar schouders geslagen en van achteren om het middel vastgeknoopt was, droeg zij een blauwgestreept katoenen jakje en onder den gladden rok van zwart merinos, kwamen grove wollen kousen en een paar stevige schoenen te voorschijn, die er uitzagen alsof zij te groot waren voor de voeten, die er in staken. Er lag iets vriendelijks en ook iets kinderlijks over de geheele verschijning, iets guls en prettigs, dat het vrij alledaagsche gezicht van het veertienjarige meisje bizonder aantrekkelijk maakte.
"Alles is weer op bij ons," zei ze lachend, waarbij een rij witte tanden zichtbaar werd. "Ik moet weer koffie hebben en suiker en gort en wat rijst en meel en bruine boonen--van alles weer evenveel als altijd, als 't je blieft. Hier is mijn mand."
En een groote hengselmand van den grond nemend, zette zij die op de toonbank.
"Grootmoeder wat beter?" vroeg de bediende, terwijl hij de verschillende zaken afwoog en in zakjes deed.
"Neen, niet veel," antwoordde Elsje, met een trek van bekommering op haar gezicht. "De dokter zegt dat ze meer eten moet, maar ze heeft haast nooit zin in wat. Ze is gelukkig wel beter dan verleden week."
"Het zal langzamerhand wel in orde komen," klonk het op geruststellenden toon uit den mond van den bediende, "als de winter maar eens weer voorbij is. Dag Krelis!" vervolgde hij, zich tot een jongen wendend, die den winkel inkwam. "Ben je gevallen, baas? Je ziet heelemaal wit en zwart ook, warempel. Die mouw zal wel eens in de waschtobbe moeten voordat ze weer schoon is."
"Och, dat droogt wel weer op," zei de jongen, achteloos een veeg over de bewuste mouw gevend. "Twee ons klontjes voor de koffie, als 't je blieft."
"Ziezoo, klaar is Kees," hernam de bediende, Elsje de gevulde hengselmand en Krelis zijn zak met klontjes overreikend. "Dag kinderen, plezierige wandeling samen!"
De twaalfjarige knaap drukte zijn gladden bonten muts vaster op het hoofd, knikte even, deed de rinkelende winkeldeur open en ging vóór Elsje den winkel uit, niet uit lompheid, maar omdat het geen oogenblik bij hem opkwam haar voor te laten gaan.
Elsje volgde hem met haar mand aan den arm, de dorpsstraat door en den straatweg op. Het was heerlijk, gezond winterweer; helder en frischkoud, zacht vriezend. De zon scheen vol en rijk en verlichtte met warmen glans de enkele donkere dennen en de bruinglinsterende open velden aan beide kanten van den breeden straatweg. Over de dorre grassen en halmen lag een gouden gloed en dunne laagjes fonkelenden rijp losten zich in de warme zonnestralen op tot doorschijnende waterdroppels, die aan de kale, gladde takken bleven hangen, schitterend als zoovele diamanten.
Met blijde, gelukkige oogen keek Elsje om zich heen, terwijl zij naast haar jeugdigen geleider voortstapte. Het was haar aan te zien dat haar jonge ziel vatbaar was om al dat heerlijke schoon te genieten en van puur genot haalde zij eens diep adem alsof ze zeggen wou: "Hè, hoe verrukkelijk mooi!" De jongen naast haar liep, een vroolijk deuntje fluitend, verder. Hij voelde zich prettig opgewekt in de gezonde winterkou; het liep zoo gemakkelijk en vlug over den harden, drogen weg; buitendien was het Zaterdag en had hij dus den langen Zondag in het vooruitzicht, waarop hij uren achtereen zou kunnen schaatsenrijden. Kortom, alles werkte samen om hem bizonder goed gemutst te doen zijn, maar zijn stemming was een geheel andere dan die van Elsje. Zij zou niet onder woorden hebben kunnen brengen wat zij voelde; er trilde iets in haar hart, dat haar zou hebben kunnen doen juichen en ernstig zijn te gelijk--het was een zekere heilige bewondering, een aanbidding bijna voor wat zij zag om zich heen. Want in haar eenvoudig kinderhart leefde een groote, rijke liefde voor de natuur; een liefde, die aan haar kalm leven een warmen gloed verleende, maar die haar ook wonderlijk verschillend maakte van de dorpsmeisjes met wie zij in aanraking kwam, al mocht men haar over 't algemeen graag lijden. Overigens was er aan Elsje volstrekt niets buitengewoons. Hare ouders, brave, oppassende lieden, had zij verloren toen zij nog maar heel klein was en sedert dien tijd had zij altijd met haar grootmoeder gewoond, in het kleine huisje, dat op een half uur afstands van het dorp gelegen was. Haar grootvader was ook reeds jaren dood en zijne weduwe had lang met naaien den kost verdiend en daardoor de spaarpenningen van haar man onaangetast gelaten, zoodat zij daarvan nu op haar ouden dag zuinig met haar kleindochter leven kon.
"Hè," zei Elsje, terwijl ze even staan bleef, "wat is het vandaag prachtig hier! En kijk eens, wat glinsteren die mooi in de zon!" vervolgde ze, terwijl ze zich heenboog over een der lage, kale struiken en voorzichtig een glimmenden tak aanraakte, waaraan ontelbare waterdroppels flikkerden.
"Ja, allerprachtigst!" lachte Krelis en een dikken tak beetpakkend, schudde hij Elsje de zware druppels in het gezicht en riep spottend: "En ze spatten ook zoo mooi!"
In een oogwenk stond haar mand op den grond en haar gezicht snel met haar hand afvegend, riep ze: "Dat zal ik je betaald zetten!"
"Ga je gang, maar pas op dat je mand niet weggepakt wordt!" plaagde hij en meteen het hengsel beetgrijpend, rende hij vooruit, zoo snel als zijn jonge beenen het hem maar veroorloofden.
"Vreeselijke jongen!" riep Elsje hem na, terwijl zij het ook op een loopen zette, zonder echter den jeugdigen boosdoener te kunnen inhalen.
Eindelijk verdween hij langs een smal zijpaadje, dat naar de kleine boerderij voerde, waar hij thuis hoorde.
"Och hemel, nu neemt hij mijn mand zeker mee naar binnen!" hijgde Elsje, op het zijpad toesnellend. Maar toen zij dichterbij gekomen was, zag zij de hengselmand op een grooten steen vlakbij staan.
"Gelukkig," zei ze, zich bukkend om haar op te nemen.
"Och, och, wat spatten ze mooi, wat spatten ze mooi!" klonk de stem van Krelis achter haar, terwijl een dichte regen op haar neerviel van den struik, waaronder zij zich gebukt had en dien hij uit alle macht schudde.
Zij richtte zich snel op, maar Krelis was haar al weer te vlug af geweest, want toen zij zich naar hem omkeerde, was hij het zijpad al weer in en niets dan een plagend geroep van: "Dag Els, dag Els!" bewees dat hij nog in de nabijheid was.
"Wacht maar, ik zal je wel krijgen, al is het dan vandaag niet!" riep ze terug, waarop Krelis tergend een langgerekt gefluit liet hooren en toen in huis verdween.
"Ik zal hem wel," zei Elsje bij zichzelf, terwijl ze verder liep, "hij behoeft niet te denken dat ik me zoo maar ongestraft laat beetnemen, die brutale jongen!" En zij lachte, terwijl ze zich ten tweeden male het gezicht afveegde.
En verder liep ze, langs kale, uitgestrekte velden, waar de donkere aarde door een dunne ijskorst was bedekt en waar de bonte kraaien, deftig als oude heeren, in zwart-en-grijs gewaad voorttrippelden of in lange zwenkingen door de lucht vlogen. Iets verder stak het korte kreupelhout met zijn taaie, warmroode twijgjes, schilderachtig af tegen de hoogere struiken, waarvan de dorre beuke- en eikebladeren, die hardnekkig aan de kale takken waren blijven hangen, goudbruin waren getint. Vlokkige witte wolkjes deden het zonnige blauw van den hemel te helderder uitkomen en Elsje kon niet nalaten, nog even om zich heen te zien met een: "Hè, heerlijk!" van innige bewondering, voordat ze het korte pad opging naar het kleine huisje, dat zij met haar grootmoeder bewoonde. Het zag er netjes en schilderachtig uit met de donkergroen en rood geverfde luiken, de lage groene deur en de smalle ramen, die thans door de warmte van binnen half ontdooid waren, zoodat Elsje het vriendelijke gezicht van haar grootmoeder, omlijst door een hagelwit, geplooid mutsje, naar buiten kon zien kijken. Zij knikten elkaar vroolijk toe, waarna het meisje het plaatsje van roode tichelsteenen op zij van het huis overliep naar de deur, de klink oplichtte en door de smalle gang het woonvertrek inging, dat tevens als keuken dienst deed. De kleine kamer had een zeer eenvoudig aanzien met de vierkante houten tafel voor het raam, vier stoelen met matten zittingen en den bruingeschilderden houten vloer. Aan den eenen kant van den gewitten muur stond de kookkachel en daar tegenover een ouderwetsche latafel met korte, gedraaide pooten. In een zwarte lijst tegen den muur hing een verschoten merklap, door Elsje's grootmoeder bewerkt, toen ze nog een kind was, terwijl de portretten van Elsje's ouders op de latafel prijkten in gezelschap van een fleschje inkt, een paar pennenhouders, twee hardblauwe bloemvaasjes, een mandje met gemaakte bloemen, een staand spiegeltje en een Bijbel. Een groote koekoekklok hing naast den schoorsteen, die met aardige blauwe tegeltjes was versierd, terwijl een netjes gerimpelde strook of "val" langs den zwarthouten schoorsteenmantel naar beneden hing. Vlak bij het raam, waarbij de grootmoeder zat te breien, was een klein portretje opgehangen in een fraai nieuwerwetsch lijstje, dat slecht in deze omgeving paste. Het portret was dat van een jonge vrouw, met groote, sprekende oogen en donker, golvend haar. Er lag een trek van trotschheid om den fijnbesneden mond en het was alsof de fraaigevormde wenkbrauwen even minachtend opgetrokken waren, iets wat het overigens zeer innemende gelaat bepaald ontsierde. Er was in het portret een flauwe gelijkenis waar te nemen met het gezicht der oude vrouw, die dezelfde donkere, sprekende oogen had, waarvan echter de uitdrukking veel vriendelijker was, terwijl het thans geheel witte haar volkomen glad langs hare slapen was gestreken en zonder de minste neiging om te golven, even onder de geplooide muts te voorschijn kwam. De kleine handen waren rimpelig en mager van ouderdom en de dikke, blauwe aderen duidelijk zichtbaar, terwijl de ijverige vingers vlug de breinaald hanteerden.
The book keeps going
Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.



Scenes Storieta drew for other classics.
New illustrated classics
Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.