Storieta
English
Save & sign up

The opening · free to read

Blz. Opa en Ineke 5–64 Uit logeeren 67–80

OPA EN INEKE.

„Ineke, Ineke, schei nu eens uit. ’t Is heusch bedtijd, hoor! Denk er aan, dat je morgen al zoo vroeg op moet. Kom, kind,” en mevrouw Van West boog zich over haar dochtertje, dat aan tafel zat te lezen en legde haar hand liefkoozend op Ineke’s blonde krullen.

„Ja, Moes!” Ineke sloot met een lach en een zucht tegelijk „De Sprookjes van Andersen”, waarin ze zóó verdiept was geweest, dat ze alles om zich heen vergat. Niets had ze gehoord van de wilde kreten uit den tuin, waar Vader met Gijs en Duco aan ’t ravotten was, zóó leefde ze mee met de geschiedenis van „De kleine Zeemeermin”, die ze wel al lang kende, maar altijd weer met hetzelfde plezier overlas.

Ze was in den afgeloopen winter ernstig ziek geweest, had daarna langen tijd moeten liggen en ’t eene verhaal vóór en ’t andere nà gelezen, telkens weer grijpend naar het boek, dat ze van Opa kreeg en waar niet alleen zulke mooie sprookjes, maar ook zulke beeldige plaatjes in stonden. Die goeie, lieve Opa! Wel vier maal was hij overgekomen om Ineke, z’n eenige kleindochter, op te zoeken en toen hij hoorde, dat de dokter de frissche buitenlucht het allerbeste geneesmiddel voor haar vond, had Opa onmiddellijk gezegd: „Weet je wat, Ineke, dan kom je maar zoo gauw mogelijk bij mij op „Eiken-rode” logeeren. Vacantie of géén vacantie, je komt maar. Misschien wil meester Hoogstra je dan wel een poosje op de dorpsschool nemen, dan gaat de geleerdheid niet achteruit en kan je waarschijnlijk toch wel overgaan naar de vijfde klasse.”

Ineke had bij dit heerlijk vooruitzicht in haar handen geklapt en juichend uitgeroepen:

„O ja! Dat zou heerlijk zijn, Opa! Nu zult u ’s zien, hoè gauw ik beter ben,” en van dien tijd af had ze moedig haar leelijk-bittere drankje geslikt en erg haar best gedaan met eten, zoodat de dokter iederen dag tevredener werd en al gauw verklaarde „dat ze nu maar de wei inmoest.”

„Eiken-rode”, het gezellig-ouderwetsche buiten, waar Vader en de Ooms als kleine jongens gewoond hadden, was voor de kleinkinderen het heerlijkste plekje, dat er bestond en Gijs en Duco, Ineke’s oudere broertjes, zeiden dan ook telkens, hoewel ze ’t hun zusje, waarvan ze veel hielden, van harte gunden: „Nou maar Ien, jij treft ’t hoor!”

Duco had zelfs beweerd, dat hij best ook ziek zou willen worden, als hij daarna bij Opa mocht gaan logeeren. Maar in de groote vacantie, zouden ze er met z’n allen een poosje gaan doorbrengen. Dan konden de jongens hun schade inhalen! Fietsen, visschen en zwemmen in de beek, in hun tuintjes werken, die Andries, tegen hun komst in orde maakte, en mee gaan hooien en koren halen op ’t land! Zàlig, boven op zoo’n hoogopgetaste, schommelende kar! En ’s Zondags, als Andries den tijd had, vliegers oplaten op de hei! Nergens ging dat zóó goed als dààr, waar je overal de vrije, wije ruimte om je heen hadt, zonder dat je één oogenblik bang behoefde te zijn, dat je vlieger ergens vast bleef zitten.

Dien middag, terwijl Moes haar koffer pakte, had ’t Ineke geduizeld van al de boodschappen, die de broers haar opdroegen: vragen of Andries vooral zonnebloemen in hun tuintjes zou zetten; of hij ’t vischtuig wou nazien en er voor zorgen zou, dat de schommel en de ringen van nieuwe touwen werden voorzien en of hij er aan wou denken, dat ’t roeiboot je bij tijds in den vijver kwam te liggen, zoodat de naden goed dichttrokken en er geen water meer inliep.

„’t Is geweldig, Ien, wat jij allemaal te onthouden krijgt. Ik zal ’t maar voor je opschrijven, anders vergeet je de helft,” en meneer Van West was zijn dochtertje lachend met papier en potlood te hulp gekomen en had een heele „boodschappenlijst” voor haar gemaakt, die Ineke had weggestoken in haar reismandje. Ze beloofde Andries, zoo gauw ze hem zag, ’t gewichtig papier te overhandigen en Moeder had op haar beurt ’t een en ander voor juffrouw Doortje, de huishoudster, die al jaren sinds Oma’s dood, de huishouding op „Eiken-rode” bestuurde, maar vond ’t bij nader inzien beter, haar maar zelf een brief te schrijven. Juf zou de zorg voor Ineke grootendeels op zich nemen en daarom had mevrouw Van West daarin precies verteld, hoe dikwijls per dag Ineke haar drankje nog nemen moest, hoe lang ze gewoon was te rusten en hoeveel melk ze op dokters-bevel dronk. Vooral aan ’t laatste moest streng de hand gehouden worden en Ineke beloofde dan ook, onder ’t naar boven gaan nog eens aan Moes, dat ze heusch de zes groote glazen drinken zou en dat ze haar uiterste best zou doen bij meester Hoogstra.

Op school was Ineke volstrekt niet dom, maar ze las liever, dan dat ze huiswerk maakte en schreef haar thema’s en sommen dikwijls zóó slordig, dat ze ’t thuis over moest doen en slechte aanteekeningen kreeg. Ook dàcht ze wel eens, dat ze haar les kende en dan bleek deze er bij ’t overhooren nog heelemaal niet vast in te zitten. Gauw, gauw even ’t leerboek inkijken, of de sommen maken en dan lezen tot ze er bijna suf van werd. Dat was zoo Ineke’s manier van doen, en dat ’t geen goede manier was, kwam dan aan ’t einde der maand uit, als ze haar rapport mee naar huis bracht.... Door haar ziek-zijn was ze nu buiten haar schuld een heel eind achtergeraakt, maar de directrice had gezegd, dat ze wel geloofde, dat Ineke, als ze een poosje werd bijgewerkt, naar de vijfde klasse zou kunnen overgaan en omdat ze ’t zelf toch wel akelig vond te blijven zitten en niet meer met haar vriendinnetjes, Nancy en Margotje, in dezelfde klasse te zijn, nam ze zich voor, flink haar best te doen en ijverig te werken. Ze kende meester Hoogstra wel van aanzien. ’t Was een goedige, oude man met een grooten gouden bril op, steeds gewapend met een reusachtigen, rooden zakdoek, waarmee hij gewoon was zich telkens langs ’t gezicht te vegen. Hij was jong hulp-onderwijzer, toen Ineke’s vader als kleine jongen de dorpsschool bezocht, werd er later hoofd van en had met de grootste bereidwilligheid aan de directrice der meisjesschool geschreven om zich geheel op de hoogte te stellen, hoe ver Ineke zijn moest, om na de groote vacantie tot een hoogere klasse te worden toegelaten. Na eenig heen-en-weer-geschrijf was er toen besloten, dat Ineke in de morgenuren de dorpsschool bezoeken zou en daar in de zesde klasse geplaatst zou worden, die ongeveer met de vierde der stadsschool gelijk stond. Met een beetje extra-huiswerk kon ze dan ’s middags thuisblijven, om den verderen dag te rusten en zooveel mogelijk in de buitenlucht te zijn. Inplaats van schoonschrijven en handwerken wilde meester Hoogstra haar zelf Fransche les geven, want Fransch werd er op zijn school niet onderwezen, en elke drie weken zou haar rapport worden opgezonden, dan kon de directrice daaruit zien, of haar leerlinge voldoende vooruitging. Dit alles had meester Hoogstra breedvoerig met Ineke’s grootvader zitten bepraten en terwijl hij zich met zijn rooden zakdoek langs ’t voorhoofd streek, had meester Hoogstra gezegd:

„En burgemeester, nou weet u niet hoe aardig ik ’t vind, om les te geven aan het dochtertje van uw zoon Willem, die indertijd een van mijn allereerste leerlingen was, toen ik als jong onderwijzer begon. Ik ken haar wel van aanzien, want in de vacanties komt zij nogal eens in ’t dorp. Ineke heet ze, nietwaar?”

„Ja zeker. Ze heet naar mijn eenige dochter Ina, die op haar veertiende jaar gestorven is. Ineke is mijn eenige kleindochter en daarom begrijpt u zeker wel, dat ik alles wil doen, om ’t mijn kleine meid zoo goed en zoo prettig mogelijk te maken, als ze hier alleen bij me komt logeeren. Ze was dezen winter ernstig ziek. O, ik heb me dikwijls zoo angstig gemaakt; maar nu is ze gelukkig heelemaal beter, alleen wat slapjes nog, en hier in de gezonde buitenlucht zal ze wel gauw weer de oude worden, hoop ik.”

„Natuurlijk, natuurlijk, burgemeester. Nu, wat mij betreft, ik zal mijn best doen, haar zoo weinig mogelijk huiswerk te geven. Als ze niet moeilijk leert, zal ’t met dat overgaan wel losloopen.”

„O, Ineke is vlug genoeg. Ze kan heel goed als ze wil,” had meneer Van West gezegd, er maar niet bijvoegend, dat ’t werk van zijn kleindochter er nu niet altijd zóó netjes uitzag als ’t behoorde en dat de lessen er wel eens niet zoo héél vast inzaten. Hij hoopte en verwachtte stellig, dat Ineke op „Eiken-rode”, waar ze zooveel vrijheid genieten zou, haar uiterste best zou doen en Ineke zelf was dan ook niet anders van plan.

Keurig had ze haar boeken gekaft en met Moes was ze den vorigen dag een paar nieuwe schriften gaan koopen, een doos pennen en een nieuwen penhouder, waar ze nu heusch eens niet op zou bijten, zoodat hij er na een paar dagen als een onooglijk, af gekloven houtje uitzag.... Het kussen met de kruisjessteken, dat ze voor Vaders verjaardag maakte, lag ook in den koffer. Daar kon ze op regendagen aan vorderen. Juf zou er haar wel mee terecht helpen als ze er eens niet alleen aan voort kon.

„O, Moes, ik vind ’t toch zoo dól om te gaan. Ik hou zóóveel van Opa, dat ik ’t niet zeggen kan,” zei Ineke, toen ze er eindelijk inlag.

„Dan hoef ik zeker niet te vragen, of je zult zorgen, dat Juf en meester Hoogstra geen klachten over je hebben?”

„Nee, natuurlijk niet, Moes. Ik zal zóó goed oppassen, want ik zou ’t vreeselijk vinden Opa verdriet te doen. Ik wil u en Vader natuurlijk ook geen verdriet doen, maar voor Opa vind ik ’t nog.... nog zieliger. ’k Weet zelf niet goed waarom. Misschien wel omdat Opa al zoo oud is.”

„Zóó oud is Opa nog niet. Drie en zestig is hij pas!”

„Denkt u dan, dat Opa wel heel oud zal worden? Tachtig bijvoorbeeld?”

„Lieve kind, hoe kan ik dat nu weten? Opa is flink en krachtig voor zijn leeftijd. We willen allemaal hopen van wel en nu niet tobben, maar gauw gaan slapen, hoor. Morgenochtend zal ik je nog wel even helpen met ’t laatste goed in te pakken,” en mevrouw Van West kuste haar dochtertje, dat ze intusschen lekker had ingestopt, goedennacht.

De familie Van West zat net aan ’t ontbijt, toen er een telegram bezorgd werd. Meneer Tielens, een vriend van Ineke’s vader, moest dezen dienzelfden morgen nog dringend spreken en rekende er op, hem tegen tien uur op zijn kantoor in de stad aan te treffen, als er geen tegenbericht kwam. En kwart over tien vertrok de trein, waarmee meneer Van West zijn dochtertje naar Opa brengen zou....

Daar mevrouw Van West juist twee van haar zusters, die buiten de stad woonden, op de koffie kreeg, kon zij ook niet van huis om Ineke weg te brengen, inplaats van haar man.

Goede raad was duur.

„Als we Opa dan maar eens telefoneerden, dat Ineke morgen komt, want die zaak van meneer Tielens is heel dringend. Er is geen questie van, dat ik nu uit de stad kan, en Moeder kan de tantes ook niet meer af-telegrafeeren,” begon meneer Van West.

„Hè, Vàder!” Ineke’s lip trilde vervaarlijk en de tranen schoten haar in de oogen.

„Maar poesje, is dàt nu zoo erg? Eén dagje later, want morgen breng ik je zéker!”

„Ja, o ja, ik vind ’t zoo.... zoo vrééselijk jammer. En Opa natuurlijk ook. Ik h.... had er zoo vast op ge.... gerekend,” snikte Ineke in haar servetje, en Duco, die medelijden met zijn zusje kreeg, zei: „Kom, laat Ien dan alleen reizen. Ik ben verleden jaar Paschen, toen ik net zoo oud was als zij nou, immers ook alleen naar „Eiken-rode” gegaan.”

The book keeps going

Keep reading, and see it illustrated

Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.

Illustrated scene from The Great GatsbyIllustrated scene from Pride and PrejudiceIllustrated scene from Alice's Adventures in Wonderland

Scenes Storieta drew for other classics.

New illustrated classics

A new classic, drawn, in your inbox.

Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.