
Public-domain ebook
Zoo mooi als zonneschijn. Het Kaarsemannetje
Language: nl466 downloads on Project Gutenberg
Subjects
In: Children & Young Adult Reading·Science-Fiction & Fantasy
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #65904.

Public-domain ebook
Language: nl466 downloads on Project Gutenberg
Subjects
In: Children & Young Adult Reading·Science-Fiction & Fantasy
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #65904.
The opening · free to read
WAT DE BLINDE KONING DROOMDE.
Er was eens een koning, die blind teruggekomen was uit een oorlog, dien hij gevoerd had. Wel had hij overwonnen, maar de zegepraal gaf hem het gezicht niet terug. Als hij nu uitreed, kon hij de juichende menschen niet zien, doch slechts hooren; hij zag niets van de buigingen, niets van de eerbiedige groeten, niets van het kushandje, hem toegeworpen door het kind, dat omhoog getild werd door de moeder. Hij zag niets van al de pracht in zijn paleis, niets van den grooten lakeienstoet. En als hij met zijn ministers, staatsraden en generaals vergaderde, zag de arme blinde koning niets van de schitterende uniformen, niets van de ordeteekens, niets van de deftige gezichten: hij hoorde slechts de wijsheid, die er van hun lippen kwam.
Over al dat gemis was de koning niet het meest bedroefd.
Doch, als hij heel alleen was, een arme, oude, blinde koning te midden van pracht en staatsie, dan dacht hij aan zon en bloemen, aan het groene gras, de zee met haar spelende golven, den wijden hemel met zijn schitterende sterren. Hij kon zich dat alles wel voorstellen, maar er is toch een groot verschil tusschen de dingen, die men werkelijk ziet en die waarnaar men kijkt met blinde oogen, welke altijd terug moeten gaan naar het verleden.
Vooral was de koning bedroefd, omdat hij zijn drie kinderen niet meer zien kon: zijn oudsten zoon Perlus, zijn tweeden zoon Urlo en dan Wanda, zijn eenig dochtertje, zijn jongste kind. Hij hoorde het wel aan den klank hunner stemmen, hij voelde het wel aan hun zorgen, dat zij heel veel van hem hielden en zijn blindheid een groot verdriet voor hen was, maar als niemand het zien kon, liepen er dikwijls groote tranen over zijn wangen, en niemand wist daarvan dan hij zelf.
Hij schreide in zijn bed, want dan was hij geen koning meer, maar een ongelukkig mensch, alleen met zijn verdriet.
Het lichtje, dat brandde in gouden lampje, liet voor hem alles in duisternis. Dan verlangde hij naar zon en bloemen, naar zee en hemel, maar meer dan naar dat alles verlangde hij naar de gezichten van zijn kinderen.
Wat was het lang geleden, dat hij den schoonen en sterken Perlus gezien had, wiens donker haar zoo glansde, wiens vroolijke oogen zoo straalden van gezondheid en levenslust.
Wat was het lang geleden, dat hij Urlo zag, die even groot en krachtig was als Perlus, even donker haar en donkere oogen had; maar hooger was zijn voorhoofd en verstandiger zijn blik. Spraken wijze mannen niet gaarne met den jongen, scherpzinnigen prins?
Doch het leek den koning, alsof er eeuwen waren voorbij gegaan, sedert hij Wanda niet meer zag. Zij was even fijn en teer, als haar broers groot en sterk. Zij had lang golvend blond haar en haar blauwe oogen... o, als de koning terug ging naar zijn herinnering, dan zag hij wonderlijk heldere oogen, die vroolijk, verstandig en goed waren; zonneoogen waren het, waarin het verkwikkend was om te kijken. Zij was als een wonderbloem in menschelijke gedaante; zwevend was haar gang, zacht haar bewegingen; zij was het mooiste en liefste prinsesje, dat men zich maar denken kon. Heeter werden dan ook de tranen van den koning, als hij aan zijn dochtertje dacht, want hij wist het wel, wanneer hij zoo alleen met zichzelven was, dat hij het meest en het innigst verlangde naar zijn prinsesje.
Eens op een nacht, dat de koning in zijn staatsieledikant weer niet slapen kon en zijn oogen niets zagen van het verguldsel der muren en de schilderingen, welke hem voorstelden als beheerscher der aarde,—want groot en machtig was zijn rijk,—vouwden zijn handen zich tot een gebed en hij smeekte om zon, om licht.
Toen sluimerde hij in, maar nauwelijks was hij door den slaap bevangen, of hij droomde een vreemden droom.
Een zonderlinge verschijning, hij wist niet wie ze was of van waar ze kwam, boog zich over hem heen en zei heel verstaanbaar deze woorden:
„Iets zoo mooi als zonneschijn Zal voor uw blindheid genezing zijn. Uw kinderen moeten doorzoeken het land. Van Noord tot Zuid, naar allen kant. Wie vindt, die kust uw blindheid weg, Onthoud toch goed wat ik u zeg.”
Toen wilde de koning wat vragen, maar de verschijning verdween, loste zich op als een nevel in zonnewarmte.
De koning werd wakker en dacht aan zijn zonderlingen droom, maar hij had meer dwaas gedroomd en dus vertelde hij er niemand wat van. Doch den volgenden nacht zag en hoorde hij weer dezelfde verschijning en ook den derden.
Toen kon hij zijn droom niet meer vergeten en hij riep zijn ministers en wijze staatsraden bijeen en vertelde hun wat hij in de drie laatste nachten gedroomd had.
De ministers schudden het hoofd en keken wijs; de staatsraden knikten en keken nog wijzer; lang en breed overlegden zij wat er gedaan moest worden. Daar zij van hun vorst hielden en zijn beterschap wenschten, besloten zij, dat de koning aan zijn zoons zeggen zou wat hij gedroomd had.
En dienzelfden dag, na den maaltijd, begaf de koning zich naar zijn studeervertrek, waar de boeken in lange rijen stonden en waar Wanda elken avond haar vader voorlas. Maar nu liet hij zijn zoons weten, dat hij hen te spreken verlangde en gezeten in zijn hoogen leunstoel, waar het licht der ondergaande zon juist op hem viel, vertelde hij aan Perlus en Urlo wat hij gedroomd had en wat de ministerraad besloot.
Heel aandachtig luisterde ook Wanda, turende naar buiten, waar de boomen te gloeien stonden in het gouden licht.
Toen stond ze plotseling op en met vaste stem zei ze: „Vader, laat ook mij gaan.”
„Jij,” lachte Perlus, „jij klein, teer poppetje.”
„Jij,” zei Urlo, „jij zusje,”—en beschermend streek hij over haar lokken.
„Jij, Wanda, jij,” zei de koning verschrikt.
„Neen, niet jij.”
„Waarom ik niet,” vroeg ze. „Driemaal is er duidelijk gezegd geworden, dat uw kinderen moeten zoeken. Ben ik dan niet uw kind, vader? Moet ik dan niet gehoorzamen? Laat mij gaan, vader, ik voel, dat het moet.”
„Maar je bent zoo klein,” zei Perlus en hij keek naar haar figuurtje, zoo heel nietig bij al de kostbare meubelen.
„Ik houd zooveel van vader!”
„Neen, Wanda, niet jij,” herhaalde de koning.
„Toe, vader, laat mij gaan,” smeekte Wanda en zij sloeg haar arm om den hals van den koning en vleide haar wang tegen die van haar vader.
„Laat mij alleen,” zei toen de koning.
De prinsen en Wanda gingen weg en heel alleen zat toen de koning in zijn boekvertrek, waar niets doordrong dan het geruisch der boomen in het park en het tjilpen van vogels, die ter ruste gingen.
„Neen, neen, Wanda niet,” smeekte de koning; „niet zij, niet mijn teer prinsesje.”
Dien nacht echter verscheen de verschijning den koning weer in zijn droom en heel duidelijk sprak zij:
„Iets zoo schoon als zonneschijn Zal voor uw blindheid genezing zijn. Uw kinderen moeten doorzoeken het land, Van Noord tot Zuid naar allen kant. Wie vindt, die kust uw blindheid weg. Onthoud toch goed wat ik u zeg.”
Toen sprak de koning: „niet Wanda, niet mijn dochtertje mag gaan!”
De verschijning sprak toen heel langzaam, nadruk leggend op elk woord:
„Uw kinderen moeten doorzoeken het land Van Noord tot Zuid naar allen kant.”
En weer belegde de koning den volgenden dag een vergadering met zijn wijzen en hij vertelde wat hij gehoord had en hij smeekte zijn ministers Wanda te zeggen, dat zij niet mocht gaan.
„Uw Majesteit gelieve hare koninklijke hoogheid te ontbieden,” zeiden de ministers.
The book keeps going
Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.



Scenes Storieta drew for other classics.
New illustrated classics
Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.