Storieta
English
Save & sign up

The opening · free to read

Op De Jacht in Mozambique

Naar het Fransch van Guillaume Vasse.

Als in het aanstaand voorjaar president Roosevelt van zijn ambt zal zijn ontheven en van een welverdiende rust zou kunnen genieten, gaat hij de jacht op groot wild in Afrika ondernemen, om dus veel vermoeienissen en ontberingen tegemoet te gaan, maar die zijn nog altijd sportlievend gemoed een aangename afwisseling zullen bezorgen. Onlangs heeft een Franschman, de heer Guillaume Vasse, in de Tour du Monde het een en ander verteld over zijn ervaringen en waarnemingen in Oost-Afrika aan de kust van Mozambique, waar hij ook als jager een tijdlang verbleef.

Hij was met zijn vrouw van Beira het binnenland ingegaan met den spoorweg, die tweemaal per week van Beira naar de Kaap vertrekt door Rhodesië. Maar ze zouden niet zoo ver gaan, want hun eindstation was Massikessé, centrum van een belangrijk mijndistrict dichtbij de grens van de engelsche bezittingen. Met hen vertrok tegelijkertijd een massa bagage van proviand, patronen, geneesmiddelen, kleederen, instrumenten, enz. De heer Vasse had namelijk een opdracht van den minister van openbaar onderwijs, om in die streek door geografisch werk de opnemingen van eenige fransche reizigers te voltooien en verzamelingen mee te brengen, die op de fauna, de flora en de ethnologie betrekking hadden. De groote reis, die drie jaren duurde, werd in 1904 ondernomen, nadat de heer en mevrouw Vasse reeds in 1900 zich erop hadden voorbereid door een verblijf van zeven maanden in Mozambique.

Na een reis van zeventien uren, die onaangenaam was door de hitte, bracht de trein hen te Massikessé, dat door heuvels en bergen omgeven, te midden van een wijde vlakte is gelegen. Het was geen plek, die een Europeaan zich bij voorkeur tot verblijfplaats zou kiezen, want de zon brandde er, en de nabijheid van de rivier Mineni met haar omgeving van moerassen, was bevolkt door wolken muskieten. Toch had men er al veel gedaan, om de gezondheid te bevorderen, en de kapitein van de genie, d'Andrade, de eigenlijke schepper van Massikessé, heeft er flinke ruime en schaduwrijke straten aangelegd. De plaats heeft een hospitaal en daarbij een op de bergen liggend sanatorium. Men vindt er enkele mooie steenen huizen, maar ook veel van die plaatijzeren, waar de bewoners braden van de hitte.

Den tweeden dag na hun aankomst vertrokken de Franschen naar de Mangotabergen, waar ze hun eerste kamp zouden opslaan. Om de verhuizing gemakkelijk te maken, had de heer Vasse een groote kar gehuurd, getrokken door vier ossen en vier muilezels. Dat was een gerieflijkheid, die hij op dezen tocht nergens elders zou kunnen vinden, want dit was een der weinige streken, waar de huisdieren geen vrees behoeven te koesteren voor de tse-tsevlieg en waar ze in leven kunnen blijven, als de runderpest en de tuberculose het ten minste willen veroorloven. De kar zou alles vervoeren tot aan den voet der bergen, waar dertig zwartjes de goederen zouden dragen langs de steile hellingen van de hoogvlakte, waarop het kamp zou worden opgeslagen.

Er werd een groote hut gebouwd naar den trant van die der Kaffers, bestaande uit palen, onderling verbonden door een heining van gespleten bamboe, waarover aan beide zijden leem wordt uitgestreken. De onderzij van het rieten dak was ook van bamboe. Met wat planken bracht men er met moeite een deur en een venster in aan. Kleine bijgebouwtjes bevatten een kleed- en een leeskamer, dan was er de keuken en de cour voor het gevogelte, terwijl in den tuin uit Frankrijk meegebrachte zaden werden gezaaid. Ook aan den aanleg van paden moest worden gedacht, en zoo liet de Franschman een pad aanleggen rondom den berg, dat na acht kilometer zich aansloot bij den grooten weg van Massikessé naar de dalen van de Rewe en de Chimezi. Het kamp lag 1200 meter hoog, maar was door veel hoogere bergen omgeven. Een enkele bres opende zich aan den noordkant, waar de rivier de Muza door stroomde. Behalve in de nabijheid der waterloopen, waar de plantengroei heerlijk was, zag men overal niets anders dan een schraal struikgewas. De boomen waren over het algemeen niet goed uitgegroeid op den al te armen grond.

Al spoedig begonnen de reizigers zich bezig te houden met het verzamelen van insecten, planten en vogels. Groote dieren waren hier in hun eerste kamp zeldzaam in de buurt. In de laatste jaren was wat er na de runderpest was overgebleven, weggeschoten door de mijnwerkers. Er waren intusschen nog enkele kleinere soorten van antilopen, snelle en wantrouwige beestjes, die zich gemakkelijk in het struikgewas kunnen verbergen. Een soort, de Tragelaphus sylvaticus, is een sierlijk dier, dat zich in het bergland ophoudt in de kloven met een dichten plantengroei; en tegen den avond, zoo omstreeks vier uur, gaat het op plaatsen, waar het geen menschen ontmoet, naar buiten, om te grazen. Als het dier dikwijls is opgeschrikt en dus voorzichtig is geworden, komt het eerst des avonds uit zijn schuilplaats en blijft rondloopen, steeds snuffelend in den wind, of het den luipaard ook bespeurt. In den vroegen morgen graast deze antilope nog gretig en eet de met dauw bedekte jonge spruitjes, terwijl de boven de bergen rijzende zon haar niet van de wijs brengt. Maar zoodra de vurige stralen der zon de vochtigheid van den morgen hebben opgetrokken, gaat de "guib", zooals de Franschen het dier noemen, zich voor zijn spijsvertering in het dichte struikgewas verschuilen.

Als men haar gewoonten kent, is het niet moeilijk, jacht te maken op die antilope. Vroeg in den morgen en 's avonds laat moet men haar voorzichtig zoeken, bij goeden wind, in de buurt der kleine boschjes. Het vleesch van dit wild is malsch en lekker, zoodat reizigers en jagers er een heerlijk gerecht aan hebben. Om die reden voeren de Kaffers een volhardenden strijd er tegen en jagen haar niet alleen met pijl en boog en geweer, maar trachten haar ook te vangen in allerlei soort van strikken en vallen.

Op zijn tochten maakte de heer Vasse verscheiden apen buit. Het waren bavianen, Cynecephalus, die in Oost- en Zuid-Afrika zeer algemeen zijn. Men treft ze in groote troepen aan, zoowel in de vlakten als in de bergstreken. Ze zijn een gruwel in de oogen der Kaffers, wier sorghovelden ze plunderen, wier tomaten ze stelen, wier zoete pataten ze opgraven en wier vruchten ze van de boomen plukken. En de slimme dieren hebben den grootsten eerbied voor de strikken, die ze zorgvuldig vermijden. Als ze op strooptochten uit zijn, staan er altijd schildwachten uit, en alleen de dorst doet hen soms hun gewone voorzichtigheid uit het oog verliezen. Meermalen op een dag begeven ze zich naar de drinkplaats, en daar in de buurt had meestal de reiziger de gelegenheid gevonden, de roovers te schieten. Ze zien er, als ze loopen, allerwonderlijkst uit; oude mannetjes lijken wel wat op een leeuw. Over het geheel kunnen de mannelijke bavianen een respectabele lengte bereiken; een van de door den heer Vasse geschotenen was van het begin van den staart tot den snuit 1.37 M. lang; van de vingertoppen tot den schouder 0.73 M.

Bovendien doen de haren, die zeer dicht zijn, hem nog grooter lijken; ze zijn lang op den rug en op de borst, en grijs, rossig en bruin getint. De staart is lang. De baviaan stoot verschillende kreten uit, die afwisselen tusschen een dof gebrom en een scherp gepiep, met een eigenaardig geblaf er tusschen. Mannetjes, wijfjes en jongen leven allen te zamen; de laatsten worden gemakkelijk tam, als men ze in jeugdigen staat heeft gevangen.

Ook werden eenige kleine hazen gedood, grijs van kleur. Men ontmoet ze vrij vaak in de nabijheid van kaffertuinen, en de inboorlingen, die veel van het vleesch houden, en terecht, zetten veel strikken voor hen uit. "Ik vermeesterde eveneens een soort van wilde kat en wel op de volgende manier", vertelt de reiziger.

"Het was in September; we hadden een regendag gehad, en veelal doen de nachtelijke roofdieren na zulk een dag een aanval. Aan den maaltijd had ik die opmerking tegen mijn vrouw gemaakt, en ik had mijn geweren zorgvuldiger dan anders geladen.

"In den nacht werd ik wakker door geschreeuw van kippen, die geworgd worden. Ik greep mijn geweer en ging naar den hoenderhof. Een van onze kippen had een nest met jongen, en om haar met de kleinen op haar gemak te zetten, had ik een hutje voor haar laten inrichten. Daaruit kwam nu het geschreeuw. Op het oogenblik, dat ik nader kwam, snelde ook een van mijn zwarten toe. Hij maakte de deur open en daar verscheen op het dakje een beest, dat ik met een schot doodde. Het was een wilde kat, de kleinste die ik nog in Zuid-Afrika had gezien.

"Haar pakje was mooi, met bruine vlekken op witten grond; ze was minder hoog, maar langer dan een gewone kat en had zoowat hetzelfde gewicht. Overdag houdt deze wilde kat zich in holle boomen op en ze jaagt des nachts, vangt dan ratten en muizen, haalt nesten uit, loert op jonge vogels, jonge patrijzen en, zoo noodig, plundert ze de kippenhokken en bijt de hoenders dood. De huid wordt door de Kaffers op hoogen prijs gesteld, en ze maken er gordels, zakken en dans-ornamenten van."

De oogst was, wat groot wild betreft, niet zeer overvloedig in die buurt; maar er werden veel vogels ingezameld, en alleen uit die streek zond de heer Vasse 88 verschillende vogelsoorten geprepareerd naar Parijs voor het Museum. Daarbij werden er vrijwat vogels geschoten voor de braadpan, want daar er geen overvloed van ander wild was, moest men zich wel met vogels vergenoegen. Om daarbij wat variatie in het menu te hebben, ging hij soms staan onder een grooten boom met vruchten, waarvan groene duiven en tortelduiven kwamen snoepen. De weitasch was dan spoedig gevuld met wat een goeden maaltijd opleverde, en getrouw aan den regel dien hij zich in Afrika had gesteld, om nooit noodeloos te moorden, keerde hij dan naar het kamp terug.

Tegen het eind van September 1904 deed het gezelschap een uitstapje naar het dal der Mavuzi, rechterzijtak van de Pungwe. Daar is een granietplateau, dat de bekkens van de Pungwe en de Hondé scheidt. Langs de Mavuzi vindt men veel Kafferdorpen, waar aan landbouw wordt gedaan en waar men zelfs goed onderhouden rijstvelden ziet. Er waren wel enkele antilopen; maar het wild was ellendig schuw, want er jaagden daar een heirleger van zwarten in den dienst van Europeanen.

In een kamp aan de Muza maakte het fransche reisgezelschap kennis met een hevige overstrooming, waarbij het water als een stortvloed van de bergen kwam en alles onder water zette. De maanden October, November en December, als het lente is in Zuid-Afrika en de natuur ontwaakt, brengen veel stormen en onweders. Men kan in dien tijd nog wel jagen; maar in den zomer, dat is in de maanden Januari, Februari en Maart, volgt de periode der regens en overstroomingen, met een verbazende ontwikkeling van den plantengroei bij verschrikkelijke hitte. Dan treedt de tijd van gedwongen werkeloosheid in voor den onderzoekingsreiziger, behalve als hij jacht wil maken op groote dikhuidigen en op buffels. De herfst brengt in de maanden April, Mei en Juni koelere nachten; de graansoorten worden rijp, het gebladerte vergeelt, de rivieren treden in haar beddingen terug, en tevens is dit de tijd der koortsen en de periode, waarin de leeuwen het gevaarlijkst zijn. In de drie maanden Juli, Augustus en September volgt de winter met de hevige droogte, die allen plantengroei doet ophouden, de boschbranden begunstigt en de jacht en het reizen vergemakkelijkt.

The book keeps going

Keep reading, and see it illustrated

Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.

Illustrated scene from The Adventures of Sherlock HolmesIllustrated scene from FrankensteinIllustrated scene from The Great Gatsby

Scenes Storieta drew for other classics.

New illustrated classics

A new classic, drawn, in your inbox.

Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.