Storieta
English
Sign up

The opening · free to read

In het gebied van het Tsadmeer met de expeditie Tilho

Naar het Fransch van L. Roserot de Melin.

De zending, die in 1906 aan kapitein Tilho van de koloniale infanterie werd opgedragen, had ten doel, de engelsch-fransche grens tusschen den Niger en het Tsadmeer vast te stellen in overeenstemming met het protocol, op 29 Mei 1906 te Londen geteekend door een conferentie, waarin Frankrijk vertegenwoordigd was door den heer Binger, toenmaals directeur aan het ministerie van koloniën; door graaf de Manneville, secretaris van de fransche ambassade en door kapitein Tilho, die ten tijde van de eerste expeditie Moll gereisd had in het betreffende gebied. Frankrijk had bij die overeenkomst een groote uitbreiding van grondgebied verkregen, maar vooral won men erbij, dat de nieuwe grens een verbinding tot stand bracht tusschen de fransche bezittingen aan den Niger en het Tsadmeer, den Soedan en het Congogebied, en dat voor de oude, volkomen kunstmatige grenzen een rationeele grens in de plaats kwam, die de autonomie eerbiedigde van de verschillende stammen, behoorende tot de protectoraten van de beide contracteerende mogendheden. Toen moest nog op de plek zelve de aanwijzing van de grens plaats hebben, die Noordelijk Nigeria moest scheiden van het grondgebied van Zinder. Dit was de aanleiding tot de expeditie, waar ik deel van uitmaakte.

Engeland had vier officieren gezonden onder bevel van majoor O'Shee. Frankrijk had als vertegenwoordigers, buiten kapitein Tilho, gekozen den luitenant ter zee Audouin, den luitenant van de koloniale infanterie Vignon en dokter Gaillard, geneesheer bij de koloniale troepen. Buitendien had de minister van koloniën als wetenschappelijken staf bij de expeditie ingedeeld den officier-tolk eerste klasse Landercin, den geoloog Garde van Clermont, den luitenant van de koloniale infanterie Lauzanne en mijzelven.

Wanneer de expeditie haar begrenzingswerkzaamheden zou hebben geëindigd, moest zij beginnen aan de studie van het Tsadmeer en de in-kaart-brenging ervan, terwijl er tevens allerlei onderzoekingen moesten worden verricht, zoölogische, mineralogische, ethnologische, linguïstische, hydrographische, enz. We hadden dus een uitgebreid programma, en luitenant Mercadier van het derde bataljon jagers was dan ook door den minister van oorlog ter beschikking gesteld van het Aardrijkskundig Genootschap, om hem te vergunnen, zijn wetenschappelijk werk tot Nigeria uit te strekken en tot onze bezittingen tusschen den Niger en het Tsadmeer. Men had afgesproken, dat de beide gouvernementen op het einde van den winter zouden wachten, opdat men met de werkzaamheden zou kunnen beginnen in klimaatsomstandigheden, die zoo gunstig mogelijk waren. Eerst tegen den 1sten Januari moesten de beide expedities zich te Gaya aan den Niger vereenigen, om van daar de nieuwe grenslijn te doen aanvangen.

Inderdaad bereikte de expeditie Tilho, die in het begin van de maand November 1906 uit Cotonoe was vertrokken en die de Dahomey was opgegaan, Gaya in Januari 1907 en zette den tocht naar het Tsadmeer voort door het dal der Dallol Maoeri en der Gober Tibiri. Op dit deel van haar tocht zullen wij de expeditie vergezellen.

De inwoners van deze streek, die Goberaoea's worden genoemd, beweren, dat ze uit Egypte afkomstig zijn. "Wij komen", zeggen ze, "uit Gypti, waar de Pharao's regeerden." Maar niets wijst erop, dat dit werkelijk hun afkomst is. In ieder geval herinnert niets, noch in hun gewoonten, noch in hun bouwkunst, noch in hun kleederdrachten, ook maar in de verte aan de karakteristieke eigenschappen van dat illustre volk. Men is intusschen verbaasd, als men voor de eerste maal te Tibiri of te Maradi komt, er een gebruik van mechanische krachten aan te treffen, dat men nergens elders onder volken van het negerras vindt en dat overeenkomt met een in Egypte gebruikt toestel. Het is namelijk een inrichting om water te putten, die merkwaardig veel gelijkt op de sjadoef van de Egyptenaren. Daardoor kunnen de Goberaoeia's gemakkelijk hun velden besproeien, waar ze op kleine schaal katoen en graan verbouwen.

Buiten eenige woningen van leem, die door de sultans en hoofden in beslag zijn genomen, zijn alle hutten van stroo opgetrokken. De wand, bestaande uit een grof gevlochten mat, is voorzien van en stevig gemaakt met korte paaltjes, die het mogelijk maken, de hut op den grond te zetten, zonder dat het noodig is, palen in den bodem te slaan. Het dak is iets aparts; het wordt als een domper erop geplaatst, en door zijn eigen gewicht houdt het de heele hut stabiel. Zooals te begrijpen is, kan men zulk een woning gemakkelijk verplaatsen. Daar er geen meubels noodig zijn, daar er water in den grond wordt aangetroffen op geringe diepte, daar de grond overal even bruikbaar is vooral voor den verbouw van gierst, worden heele dorpen om de geringste aanleiding verplaatst. De wegen zijn aan dezelfde snelle veranderingen onderworpen; nauwelijks aangegeven in het bewegelijke zand, zijn ze afhankelijk van de willekeur van den eersten den besten neger, die op het denkbeeld verkiest te komen, zijn koren te planten op de plek, waar den vorigen dag nog een weg was. En op die manier bezorgt de topografie van dit land iemand veel verrassingen en een terreinopneming, die met alle mogelijke zorg is verricht, loopt groot gevaar, over twee jaren reeds weer foutief te wezen.

Die bewegelijkheid van dorpen en wegen verontschuldigt in zekeren zin de groote vergissingen, door de gidsen begaan, zoodra ze zich verder dan een twintigtal kilometers van de plaats, waar ze wonen, verwijderen; maar kan niet voldoende verklaren, hoe het komt, dat de europeesche reiziger zoo moeilijk inlichtingen kan krijgen. Is het vrees, wantrouwen, indolentie of onbegrijpelijke onverschilligheid? Geheim van de negerziel! Het is intusschen zeker, dat de bezwaren van den tocht herhaaldelijk worden vergroot door het bijzonder karakter der bewoners van de streek. Hun handelingen zijn vaak onbegrijpelijk. Nu eens ziet men drijvers, die, goed gevoed en zeker van een hoog loon zijn, en die, terwijl ze hebben gezien, hoe de collega's, voor wie ze in de plaats kwamen, werden betaald, ineens de vlucht nemen den dag vóór de uitbetaling, en zonder reden hoegenaamd, de kameelen en hun werk in den steek laten; dan weer weigeren de bewoners der dorpen iets te verkoopen, zelfs tegen een betrekkelijk hoogen prijs, al hebben ze de gevraagde levensmiddelen ook in overvloed.

Zoo kwam ik op een dag tegen tien uur in den morgen in een dorp van nog al eenige beteekenis. Het hoofd, dat gewaarschuwd was, kwam dadelijk uit zijn hut aan den kant van den weg bij de velden met reeds bijna rijpe gierst. Het was een kleine grijsaard met witten baard, wiens boosaardige oogjes, schitterend in een gelaat met ontelbare rimpels, mij nieuwsgierig aankeken. Ik liet hem vragen om kippen, eieren, boter en gepelde gierst voor mijn metgezellen, terwijl ik hem de verzekering gaf, dat ik hem een goeden prijs zou betalen voor de levensmiddelen, die hij mij zou verschaffen. De oude zette een bedroefd gezicht: "Ik heb geen kippen", zei hij. Nu loog hij brutaal, want op datzelfde oogenblik kraaide een haan victorie, en een kakelende kip vloog tusschen mijn beenen door.

Wat te doen? Ik kon geen geweld gebruiken, maar daar de kip het hoofdgerecht moest uitmaken van mijn ontbijt, viel het mij moeilijk, er afstand van te doen, en ik besloot, ten minste moreele pressie uit te oefenen. Daar het vernuft van den tandmeester bij mij had vervangen wat de natuur had verwoest, deel ik met een aantal van mijn mannelijke en vrouwelijke tijdgenooten in de beschaafde wereld het vermogen, om een deel van mijn gebit uit den mond te nemen. Met een gezicht en houding, zoo ernstig, als het mij maar mogelijk was te zetten, liet ik aan den ouden man uitleggen, dat hij ongelijk had, mij zoo voor den gek te houden, want ik bezat een machtig toovermiddel, zooals hij dadelijk zou zien. Toen mijn boy mijn woorden had vertolkt, maakte ik mijn gebit los en legde het op mijn geopende hand, zonder een woord te zeggen en plaatste daarna de tanden weer in mijn mond. En toen verklaarde ik: "Indien in een half uur ik hier geen kip heb en boter, eieren en gierstmeel, zal ik een der giersthalmen op uw veld aanraken met mijn tanden, die ik, zooals ge gezien hebt, uit den mond kan nemen, en gij zult geen oogst binnenhalen."

Het hoofd had het slot van mijn toespraak niet eens afgewacht. De armen ten hemel heffend, was hij gaan loopen, zoo hard, als zijn oude beenen het hem vergunden, en te midden der verzamelde notabelen sprak hij hun dringend en met veel bewegingen toe. "Ik heb", zei hij, met van schrik wijd geopende oogen, "zijn tanden gezien, zijn eigen tanden, die hij in den mond heeft, die heb ik in zijn hand gezien." En in zijn geopende hand gaf de spreker krachtige slagen. Ik begreep het vervolg niet van de toespraak van het hoofd, maar eenigen tijd later zag ik hem aankomen met een half dozijn lieden uit zijn dorp. Hij bracht mij een vijftiental kippen, een mand eieren en een groote kalebas boter. Er was genoeg, om een heele compagnie te voeden, en ik moest veel moeite doen, om hem aan het verstand te brengen, dat een enkele kip en een half dozijn eieren ruim voldoende waren voor mijn behoeften.

Juist als bijna alle omringende sultanaten, worden het sultanaat Cober en dat van Tessaoea van elkander gescheiden door groote onbewoonde gedeelten. Dat komt niet, omdat de grond er onvruchtbaarder is dan elders, noch dat er ten minste op eenige diepte geen water te krijgen is, maar nog tot in den laatsten tijd was het gevaarlijk voor grensdorpen, al te dicht in de nabijheid te wezen van vijandige sultanaten. Die groote uitgestrektheden van dicht bosch dienden maar al te dikwijls tot schuilplaatsen voor de struikroovers en dieven, alias de sultans en nog regeerende hoofden in dit deel van Centraal Afrika. De enkele dorpen, die hier een plaats hadden gekozen, hebben gastvrijer oorden opgezocht; de putten zijn verstopt geraakt; een vlugge plantengroei heeft alle sporen van landbouw overwoekerd en alleen een paar verkoolde palen op den weg van Tibiri naar Aguié wijzen nog de plek aan van twee dorpen, die, naar de inboorlingen beweren, in brand gestoken waren door de blanken. Zijn het Voulet en Chanoine geweest?

In den tijd, toen wij er waren, had het nog niet genoeg geregend, dat de kleine laagten met water gevuld waren, en wij stonden toen, in Juli 1907, vóór een tocht van 60 kilometer zonder water. Die afstand lijkt niet zoo groot, maar, als men bedenkt, dat de kameelen en de draagossen gemiddeld drie tot vier kilometer in het uur afleggen, en dat het zoo goed als onmogelijk is, te marcheeren op het warmst van den dag, wordt het eind veel grooter.

Het eerste gedeelte van de reis werd opgevroolijkt door de ontmoeting met Bormoe, sultan van Tessaoea. Dat machtig heer begaf zich naar Maradi en had voor de reis zijn geheele civiele en militaire huis gemobiliseerd, zijn vrouwen inbegrepen. Allereerst kwamen de mannen te voet, sommigen met groote bogen en pijlen gewapend; dan eenige ruiters in groepjes van twee of drie; iets verder de vrouwen, tusschen de bagage op kameelen gezeten. De handpaarden van den sultan volgden, gezadeld en opgetuigd. Het eene droeg een zadel met een pantherhuid bedekt, wiens pooten langs de flanken vielen aan weerszijden; het zadel van een ander, fijner en gelijkend op die sierzadels van fluweel met zilver, die de marokkaansche en tripolitaansche kooplui importeeren en die de vreugde uitmaken van de groote kinderen, die de negers zijn, was zorgvuldig ingepakt in een veelkleurig omhulsel.

The book keeps going

Keep reading, and see it illustrated

Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.

Illustrated scene from The Great GatsbyIllustrated scene from Pride and PrejudiceIllustrated scene from Alice's Adventures in Wonderland

Scenes Storieta drew for other classics.

New illustrated classics

A new classic, drawn, in your inbox.

Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.