Storieta
English
Save & sign up

About this book

Dit werk is een systematische verkenning van de volkscultuur in Nederland en België, geschreven door Jos Schrijnen. Het begint met een polemisch betoog over de armoede van de moderne tijd, waarin wetenschap en industrialisatie de poëzie en tradities van het volk verdringen. Vervolgens schetst de auteur een overzicht van de ontwikkeling van de discipline zelf, van de eerste gebruik van het woord “folklore” in 1846 tot de hedendaagse methoden van etnografisch onderzoek. Na deze inleiding volgt een gedetailleerde indeling in zes hoofdstukken, die elk een aspect van het volksleven behandelen – van sociale lagen, dorpsstructuren en woningbouw tot religie, privéleven, taal, kunst en volkswetenschap. Het boek belooft een breed scala aan voorbeelden, van dialecten en plaatsnamen tot sprookjes, legenden en rituelen, en biedt zelfs een ethno‑geografische kaart om de verspreiding van folkloristische kenmerken te visualiseren.

De stijl is erudiet, doordrenkt met een 19e‑eind‑en‑begin‑20e‑eeuwse academische toon, en de zinnen zijn vaak lang en rijk aan retorische wendingen. Schrijnen schrijft met een passie voor het behoud van volksgeest, maar behoudt een kritische afstand die de lezer uitnodigt tot reflectie. Geschiedenis‑ en cultuurwetenschappers, folkloristen en iedereen met een belangstelling voor de traditionele gebruiken en geloofswereld van de Lage Landen zullen zich in dit omvangrijke naslagwerk thuisvoelen. Het is vooral geschikt voor lezers die genieten van grondig gedocumenteerde, analytische studies die zowel feitelijke details als bredere culturele verbanden belichten.

The opening · free to read

Inderdaad--arm is onze tijd en arm ons leven te midden van de wonderen der wetenschap! Arm is onze tijd, arm en kil en nuchter, gladstrijkend, waar hij het vermag, tot de zwakste sporen van eigen aard in zeden en gebruiken, doovend tot de laatste sprankjes poëzie, die nog opvonken uit de gulden schatkamers van sprookjes, sagen en legenden. Wat een tiental eeuwen niet vermochten, dat vermag helaas! stoom en elektriciteit en ... aviatiek, dat vermag onze prozaïsche, hoogwijze, cynisch-onverschillige tijdgeest.

De romantiek past kwalijk in een eeuw van triomfeerend realisme. Laat ze vluchten naar de diepste schuilhoeken,--de zoeklichten der wetenschap hebben haar spoedig achterhaald. Laat ze zich terugtrekken naar de eenzame hoogplateau's, waar het Edelweiss nog bloeit in ongerepte pracht,--de berglokomotieven hebben haar spoedig bereikt. Laat ze, ook in onze lage landen, de wijk nemen naar afgelegen oorden,--snorrende auto's volgen weldra verdelgend haar spoor. Zij kwijnt weg in onze atmosfeer, bezwangerd met den walm van ontelbare schoorsteenen van mijnen en fabrieken, monotoon oplijnend tegen een valen gezichteinder boven de vormelooze huizengroepen der moderne fabrieksstad, waar een trieste nevel hangt van gewoontesleur en landerigheid.

Wij worden zoo praktisch en verstandig, maar ons alledaagsch-bestaan wordt zoo eentonig en kleurloos en arm. Wij bestudeeren de natuur, en verwijderen ons van haar. Oòk aan Maas en Schelde rekt het volksleven een veeg bestaan: het volksleven, dat het volkskarakter weerspiegelt in zijn menigvuldige uitingen en als een flonkersteen met duizenden facetten het blijde, spelende zonnelicht opvangt en uitstraalt naar alle richtingen. Zijn gezworen vijanden zijn overbeschaving en banaliteit, die in haar sloopingswerk elkaar de hand reiken en hoogtij vieren òok in de groote steden van Groot-Nederland, eens zoo prat op zijn Dietschen volksaard. Niet in luidruchtige straatmuziek en straatgetier ligt besloten de poëzie van het volksleven, maar in de stille huiselijkheid rond den gezelligen haard. De naïeven, de eenvoudigen van harte zijn de bezittenden.

Arm is onze tijd aan poëzie, die niet slechts schuilt in de romantiek van sprookjes en legenden, maar evenzeer in de onuitputtelijke schachten van volksgebruik en volksgeloof, hoe ruw dat erts somtijds dan ook moge wezen en met hoeveel onedele bestanddeelen vermengd; die uitbot in alle loten van het volksleven, hoeveel wilde scheuten dat leven ook moge uitranken. Maar toch, Gode zij dank, niet algemeen arm is onze tijd aan belangstelling. Een groote kern waardeert althans de uitingen van het volksleven, zoekt naar begrip en verklaring, vorscht naar herkomst en ontwikkeling. Voor hen zijn deze bladzijden geschreven. Voor hen, die de waarde van hun volkswezen weten te schatten, en wien de eer ter harte gaat van een verleden, waarin het heden zijn diepe wortels schiet. Waardeering wekt waardeering, en zoo kunnen zij door hun belangstelling een groot maatschappelijk nut stichten, een werk verrichten van waarlijk nationaal belang.

Niet als zou het zaak wezen, kunstmatig de liefde tot den volksaard weer op te wekken en aan te kweeken: want in zijn teerste uitingen is hij zoo vaak als het gevoelige plantje, dat bij de geringste aanraking de blaadjes dichtplooit. Maar door de volksziel te beluisteren, het heden te ontraadselen door het verleden, door te dringen tot de kiemcel van het kontemporaine kultuurleven, kan de hooger beschaafde ruimheid winnen van blik, frissche, kerngezonde levenskracht garen; en op anderen en telkens weer anderen zal hij de diepgevestigde overtuiging overstorten, dat hij tot het volk behoort met lijf en ziel, dat het volk van zijn geboortegrond van zijn vleesch, zijn bloed, zijn gebeente is. Zóo wordt geteeld echte, onvervalschte vaderlandsliefde.

Maar ook, zóo kan worden overbrugd de kloof, die gaapt tusschen volk en hooger beschaafden, kan worden bewerkstelligd een verzoening der standen. Een waarlijk aristokratisch-denkend man zal zich het volk nader voelen, wanneer hij van dat volk kennis neemt, en gelijkvormigheid in wezen van zijne kultuur met de volkskultuur beseft. Tot het volk zal hij zich nader getrokken voelen dan tot het beschavingsgepeupel. Want, zegt Albrecht Dietrich, "der Parvenu ist dem Volke immer am fernsten".

Met hen, die belang stellen en belangstelling wekken, wensch ik een tocht te ondernemen naar het land der Folklore.--

Ik weet het, die belangstelling is niet dezelfde in alle deelen van Groot-Nederland. Zelfs geloof ik aan de waarheid niet te kort te doen, met te beweren, dat Zuid-Nederland hierin mijlen vooruit is. Noord-Nederland kan niet bogen op namen als Gezelle, Gittée, Pol de Mont, Teirlinck, om slechts eenigen te noemen; en nog minder kan het wijzen op iemand, die van de volkskunde zijn levenstaak maakt, als A. de Cock,--aan hem mijn eeresaluut!

De term Folklore werd het eerst gebezigd in een Athenaeum-nummer van 1846 door Mr. Thoms, sekretaris der Cambden-Society, die zijn opstel schreef onder den schuilnaam Ambrose Merton. Folklore, zoo beweert hij, omvat "the traditional beliefs, legends and customs, current among the common people." Immers, deze term beduidt het weten, de wijsheid des volks, de mondeling voortgeplante volksoverlevering, en niet de kunde van en aangaande het volk. Naam en wetenschap vonden bijval en ingang, en in 1877 werd te Londen de Folk-Lore Society opgericht, die zich thans in een zoo reusachtige uitgebreidheid verheugt.

Intusschen wordt de uitdrukking "Folklore" nog slechts een enkele maal gebezigd, terwijl "Volkskunde", en met recht, hare plaats heeft ingenomen. Maar hierbij heeft het merkwaardige feit zich voorgedaan, dat men het Engelsche woord door "Volkskunde" meende te vertalen, en nu in plaats van de wetenschap der volkswijsheid een wetenschap van volk en volksaard kreeg. Van subjektief werd de beteekenis objektief, en bleef dit. Zoo werd echter de jeugdige wetenschap in een min of meer bedenkelijke richting gestuurd, tot men ten slotte de Volkskunde ging beschouwen als de kunde van het volk in al zijn levensuitingen. Weinhold heeft in 1890 de definitie gegeven: "Die Volkskunde hat die Aufgabe, das Volk, das ist eine bestimmte, geschichtlich und geographisch abgegrenzte Menschenverbindung von Tausenden oder Millionen, in allen Lebensäusserungen zu erforschen." Inderdaad neemt hij in zijn folkloristisch program de volksfysiologie op, den lichaamsbouw, de schedelvorming, de gelaatskleur, de volksvoeding enz. Tot het uiterste wordt deze opvatting wel gedreven in het werkplan van den "Sächsischen Verein für Volkskunde." Dit toch omvat niet alleen het onderzoek naar de geologische gesteldheid van den bodem, maar verder ook alles wat behoort tot het begrip van geografie in engeren zin: koloniseering, bevolkings-, krimineele-, religieuze-, beroepsstatistiek, schoolwezen en wat al niet meer! Dit is inderdaad meer land- dan volkskunde; en dat zulk een opzet veel te grootscheepsch is, is zonneklaar.

Welke is dan de specifieke beteekenis van "volk" in "Volkskunde"? "Volk" is niet het plebs, het "vulgus in populo", de onderste laag, de heffe der maatschappij. Zeer zeker, het volkskarakter komt veel meer tot uitdrukking in de lagere, dan in de hoogere standen, maar het "Volkstümliche" leeft en werkt toch óok in de hoogere lagen der maatschappij. "Volk" is evenmin synoniem van "natuurvolk", waardoor ik versta de zeer min beschaafde stammen, vaak ten onrechte niet-kultuurstammen geheeten, terwijl toch algeheel gemis aan kultuur nooit en nergens wordt aangetroffen. Met hen is het, dat de ethnologie zich in hoofdzaak bezig houdt. Maar het objekt der volkskunde kunnen zij niet zijn, eenerzijds, omdat de individuëele volksgeaardheid hier in geenerlei mate op den voorgrond treedt, en anderzijds, omdat hier voor een tegenstelling tusschen de kultuur der verschillende volkslagen geen ruimte is. Wèl bieden de zeden, gewoonten en voorstellingen dezer natuurvolken hoogst merkwaardige punten ter vergelijking. Want de volkskunde is een vergelijkende wetenschap, en was dit van meet af aan. Niet tevreden, op beperkt terrein eene reeks van min of meer samenhangende verschijnselen op een gegeven oogenblik op het leven te betrappen of ook hooger opwaarts te vervolgen, zoekt de volkskundige analoge sagen en gebruiken bij verwante stammen of ook bij de natuurvolken op te sporen. Hij ontdoet het aldus verkregen materiaal van alle heterogene bestanddeelen, vergelijkt en tracht zoodoende tot de kern en oorspronkelijke beteekenis door te dringen.

Toch is de volkskunde met de ethnologie of volkenkunde nauw verwant: immers de ruwere kultuurlagen, die de ethnologie bij de natuurvolken onderzoekt, doorvorscht zij bij die volkeren, waar de tegenstelling tusschen hoogere en lagere kultuur te voorschijn treedt; en daar bestudeert zij het volk in de volkskultuur. Zij houdt zich dus niet bezig met wat men gewoon is in den strikten zin des woords de kultuur van een bepaald volk te noemen, maar met datgene, wat het bonte substraat daarvan vormt en wat alleen in staat is, iets eigenaardigs, iets karakteristieks aan het volksleven te schenken; niet met de hoogere kutuur, maar met de onderkultuur.

Zoo komen wij dan tot de slotsom, waartoe ik reeds in het tijdschrift "Volkskunde" XXIV (1913), bl. 4 vlg. geraakte, dat volkskunde is: de systematische, rationeele navorsching van den ondergrond der kultuur. Zij is de ethnologie der kultuurvolken. En wanneer de ethnologie, volgens de moderne opvatting, niets anders kan beoogen, dan te zijn een kultuurgeschiedenis der natuurvolken, dan dient men ook de volkskunde als een onderdeel der algemeene kultuurgeschiedenis te beschouwen. Zie F. Graebner, Methode der Ethnologie (Heidelberg 1911), bl. IX; W. Foy, Führer durch das Rautenstrauch-Joest-Museum der Stadt Cöln (Cöln 1910), bl. 22 vlg.

Wat wij doorgaans "kultuur" noemen, het resultaat van de werking der verschillende sociaal-psychische faktoren, met wier onderzoek de kultuurhistorie zich bezig houdt, wortelt voor een groot deel in de moederaarde der volkskultuur, van die beschaving, zoo innig met den volksaard verbonden. Het recht vertoont zich dáar in den vorm van zede en gewoonte. De religie van het "volk" is vaak een ruw, ongelouterd of niet te louteren, vaak ook onschadelijk-naïef, ja in dichterlijken vorm gestoken bijgeloof, andermaal omvat zij voorstellingen, die tot het kerkelijk geloof in nauwe betrekking kunnen staan. Een helderen blik op deze formatie verleent ons de volksheortologie of feestenleer. De wetenschap ligt nog in de windsels, men denke b.v. aan de volksgeneeskunde, etymologie en plantlore. Streng wetenschappelijk onderzoek, in de beteekenis van systematisch teruggaan tot de oorzaak, is aan het volk in weerwil van zijn kausaliteitsdrang ten eenenmale vreemd. Volkswetenschap is synoniem van volksbijgeloof, volksverbeelding, volkspoëzie. De kunst mist konventioneele vormen, maar ook overal maat en regel; hier ontmoeten wij volksliederen, spreekwoorden, rijmpjes, raadsels, sprookjes, sagen en legenden; en "ein Volk ohne solche Erzeugnisse seiner Phantasie und seines Verstandes", zegt Karl Knortz, "ist bis jetzt noch nicht entdeckt worden". Dat hier een strenge scheiding van het volksgeloof ondoenlijk is, ligt voor de hand. Wat waar is voor de kunst, geldt ook voor de taal, die den vorm vertoont van vulgaire omgangstaal en taaleigen of dialekt. Wat de ekonomie betreft, deze raakt van zeer nabij het privaatleven, en gaat geheel op in woningbouw en grondbeheer.

The book keeps going

Keep reading, and see it illustrated

Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.

Illustrated scene from Pride and PrejudiceIllustrated scene from Alice's Adventures in WonderlandIllustrated scene from The Adventures of Sherlock Holmes

Scenes Storieta drew for other classics.

New illustrated classics

A new classic, drawn, in your inbox.

Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.