Public-domain ebook
De H. Nikolaas in het folklore
Language: nl288 downloads on Project Gutenberg
Subjects
In: Mythology, Legends & Folklore·Religion/Spirituality
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #38211.
Public-domain ebook
Language: nl288 downloads on Project Gutenberg
Subjects
In: Mythology, Legends & Folklore·Religion/Spirituality
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #38211.
The opening · free to read
J. J. ROMEN EN ZONEN.
1898.
De H. Nicolaas in het Folklore.
"Folk-lore," zegt Prof. Paul Alberdingk Thijm[1], "is op alle gebied de wapenkreet geworden. Wee dengene, die zich daartegen kant! Hij worstelt tegen den stroom. Folk-lore in de raadzalen! Folk-lore in de school! Folk-lore in alle kunstuitingen!" En zoo is het Folklore in engeren zin, dat wil zeggen, de wetenschappelijke behandeling van gewoonten, zeden en gebruiken, spreekwijzen en uitdrukkingen, liederen, sprookjes, sagen, legenden en voorstellingen, die voortleven in den boezem des volks, niet alleen eene moderne wetenschap, maar tevens eene wetenschap, die uitdrukking verleent aan den geest, die beantwoordt aan de behoeften des tijds. Immers: "men wendt zich weder tot de natuur; de volksaard wordt ondervraagd. Men spoort op waarin die bestaat, omdat men dien bijna had vergeten; men graaft oude legenden, sagen, spreuken uit het dikste stof en beoefent een vak, dat men met den nieuwen naam van Folk-lore bestempeld heeft, d. i. volkskunde, volkswetenschap."[2] Aan hare verhouding tot de tijdsomstandigheden dankt de wetenschap van het Folklore zonder twijfel hare rassche verspreiding. Met koortsigen ijver zette men zich in alle beschaafde landen aan het werk, om den schat van overleveringen op te teekenen, te schiften, te groepeeren, en met verbazende snelheid zag men allerwegen Folkloristische vereenigingen en bibliotheken verrijzen; en de naam der jonge wetenschap zelf--voor het eerst door Mr. Thoms, Sekretaris der Camden Society in het Athenæumnummer van 22 Augustus 1846 gebruikt--had slechts enkele tientallen van jaren noodig, om zich een onbetwist Europeesch burgerrecht te verschaffen.
[1] In de Lettervruchten v. h. Taal- en Letterlievend Studentengenootschap "Met Tijd en Vlijt". Leuven 1892. P. 4.
[2] P. ALBERDINGK THIJM, l. l., ib.
Van meet af betrad deze wetenschap ook reeds den weg, dien hare zusterwetenschappen--Mythologie, Geschiedenis, Ethnologie en Linguïstiek--deze eeuw vooral zijn ingeslagen: als vergelijkende wetenschap zag zij het licht. Niet tevreden op beperkt terrein eene reeks van min of meer samenhangende verschijnselen op een gegeven oogenblik op het leven te betrappen of ook hooger opwaarts te vervolgen, zoekt de Folklorist analoge sagen en gebruiken bij verwante stammen op te sporen; hij ontdoet het aldus verkregen materiaal van alle heterogene bestanddeelen, vergelijkt, en tracht zoodoende tot hun kern en hunne oorspronkelijke beteekenis door te dringen.
Deze door elk wetenschappelijk Folklorist te volgen gedragslijn doet duidelijk zien, hoe juist het verwijt van eenzijdigheid was, door Dr. G. Brom onlangs tot zeker iemand gericht, die onder het pseudoniem van Joës a Leydis schuil gaat[3]: "Maar de verschijning van Sint-Nikolaas als Bisschop pleit toch, zoo men wil, voor den zuiver katholieken oorsprong en zin van zijn feestviering. Zeker, indien zulk een optreden overal in gebruik was; maar dat is voornamelijk het geval in ons eigen vaderland. Hierop alleen acht gevende, zouden wij de berisping niet ontgaan, welke Tacitus aan de geschiedschrijvers van zijn tijd toediende: "qui sua tantum mirantur." Op zijn Hollandsch gezegd: die niet verder zien dan de gezichteinder reikt boven hun eigen onderdeur, en meenen, dat hun beperkt kringetje de gansche wereld omvat."
[3] In zijne kritiek van een kortelings onder dit pseudoniem bij Borg, Amsterdam, verschenen werkje, getiteld: Sint Nikolaas, zijn Feest en Gebruiken. Zie De Katholiek, Dl. CXIII, p. 154.
En inderdaad, worden er tusschen de Katholieken Folkloristen gevonden, die beweren in de volksfeestviering van den H. Nikolaas niet-kristelijke bestanddeelen, te ontdekken, dan is dit
1º omdat zij tusschen volksgebruiken en volksvoorstellingen, die met het feest in betrekking staan, en andere gebruiken en voorstellingen, hetzij op eigen bodem, hetzij elders, eene verwantschap meenen te speuren, die niet aan ontleening van het St. Nikolaasfeest haar oorsprong kan te danken hebben; en
2º omdat geen enkel kerkelijk leerstuk, geen enkele kerkelijke wet hen verplicht, al wat op het oogenblik met de feestviering van den H. Nikolaas in verband staat, als van zuiver kristelijken oorsprong te beschouwen.
Wel zullen zij niet altijd langs den weg eener klemmende bewijsvoering tot onwraakbare resultaten kunnen geraken,--vaker door de overtuigingskracht van een voldoend aantal feiten tot eene moralis certitudo wellicht; in ieder geval zal het hun echter vrijstaan in den knecht Ruprecht b. v. liever een elfische gedaante te zien, dan Marmorinus, den zwarten koning der Agareniërs, en wel zonder gevaar, het spoor der orthodoxie bijster te raken.
Hij, die dergelijke beginselen huldigde, zal hierin niet weinig versterkt zijn geworden door de zooeven geciteerde meesterlijke kritiek van Dr. Brom in de l.l. Januari en Februarinummers van De Katholiek. Niet slechts de eer der katholieke historiografie, ook die van het katholieke Folklore is daar van bevoegde zijde op schitterende wijze gewroken. Het feit en goed recht eener z. g. "verkerstening" zijn er aangetoond, de banen, die de katholieke geschiedvorscher te volgen heeft, afgebakend, het blazoen der katholieke Volkskunde is er gezuiverd van alle smet en blaam. Uitteraard kon de schrijver echter bij de behandeling van zijn vierde punt niet tot meer bijzonderheden afdalen, zonder de eenheid van het geheel te schaden;--en toch is de mogelijkheid niet uitgesloten, dat menig Katholiek naar eene nadere kennismaking met de zienswijze der Folkloristen in deze verlangt. Ik neem dus de taak op, door Dr. Brom zelf l. l., p. 152 den Folkloristen overgelaten met de woorden: "aan hen de taak, zoo mogelijk eene volledige oplossing te brengen". In de volgende bladzijden stel ik mij voor, een zeker aantal gegevens tot eenige rubrieken terug te voeren, en deze, meer als specimina dan als volledige verzameling, het belangstellend publiek aan te bieden. Niet zelden echter zal ik hierbij gedwongen zijn in eene herhaling te vallen, van hetgeen reeds in mijne meer algemeene verhandeling over de "_Overblijfselen van den Wôdankultus in Limburg_", Vde Jaargang, IIIde Afdeeling van het Genootschap "Limburg" is gezegd. Ook duide men het mij niet ten kwade, zoo ik voor het meerendeel gedwongen ben uit ongeloovige of althans niet-katholieke schrijvers te putten. Gave God, dat ik meer werken van katholieke Folkloristen als bronnen kon aanhalen!
Sinte Klaas, die goede man, Die ook alles bakken kan, Suikergoed en taaie man, Ja, daar krijg ik ook wat van. (DR. EELCOO VERWIJS, Sinterklaas, 's Gravenhage, 1863. P. 74.)
Verreweg de meeste gebruiken en volksvoorstellingen, die met het feest van den H. Nikolaas in verband staan, behooren m. i. tot de derde groep in de waarlijk "onmisbare distinctie," door Dr. Brom in zijn eerste artikel vastgesteld[4]. Zelfs dan, als de Kerk wilde afschaffen, gelukte het haar bij lange niet volkomen, het ingekankerde heidendom uit te roeien. Om zich hiervan te overtuigen, behoeft men slechts den _Indiculus superstitionum et paganiarum_[5] na te gaan, en aldra zal men tot de ontdekking komen, dat verschillende nummers, zoo b. v. _De incantationibus_[6] (No 12), en _De divinis vel sortilegis_[7] (No 14) nog in het huidige bijgeloof voortbestaan. Opmerking verdient het, dat zich dit bijgeloof vooral aan kristelijke feesten, zoo b. v. Kerstdag en St. Thomasdag vasthecht;--en aan deze opvattingen en praktijken zal toch wel niemand een kristelijken oorsprong willen toeschrijven. Ook vind ik reeds het eerste nummer eener vragenlijst uit de XVde eeuw, ten behoeve der priesters voor biechtelingen uit de gewone volksklasse, in het Limburgsche Folklore terug: _Qui exercent supersticiositates cum acu qua cadaver est consutum_[8].
[4] L. L., p. 83.
[5] Bij MORITZ HEIJNE, Kleinere altniederdeutsche Denkmäler. Paderborn, 1877. Pp. 89, 90.
[6] Over tooverij.
[7] Over zieners en waarzeggers.
[8] Die bijgeloovigheid plegen met eene naald, waarmee een doodshemd genaaid is. Bij HERMANN USENER, Christlicher Festbrauch. Bonn, 1887. P. 84. Dit punt van het bijgeloof is reeds door mij opgeteekend in mijne studie, getiteld; De Doode in het Limburgsche Folklore, in het Jaarboek van "Limburg". I, p. 192.
Maar wat zeggen van gebruiken als het geven van geschenken, het zetten van den schoen, van volksfantasieën als het rijden over de daken, het werpen door den schoorsteen? Zou men niet veilig kunnen aannemen, dat de Kerk ten opzichte hiervan steeds strikt onpartijdig gebleven is, daar zij er volstrekt geen gevaar in zag, zoo sommige heidensche attributen al door het volk op een H. Nikolaas werden overgedragen? Men moge dan met nog zooveel ijver de oudste dokumenten doorwroeten en het dichtste stof der archieven doen opdwarrelen, ten sterkste zou ik het betwijfelen, of men er ooit in zal slagen, eene kerkelijke veroordeeling van het geloof aan een Sleipnir aan het daglicht te brengen.
Aan Wôdan, de verpersoonlijking der bewogen lucht, den windgod en bijgevolg den god der vruchtbaarheid, behoorden de Winterfeesten; hem op de eerste plaats werd dan geofferd; andere chtonische- en windgodheden, zooals Holda en Perchta, speelden dan slechts eene ondergeschikte rol. Nu mag men met Grimm aan een driedeeling des jaars en, in verband hiermee, aan het voormalig bestaan van drie hoofdoffertijden blijven vasthouden, ofwel--wat waarschijnlijker is--met Weinhold en Phannenschmid, door Mogk gevolgd[9], het Germaansche jaar in vieren indeelen,--het bestaan der beide Winterfeesten wordt door niemand ontkend. Het eerste dezer feesten, hetwelk een geruimen tijd duurde, begon omstreeks het begin van November; het tweede z. g. Midwinterfeest of Joelfeest, ontegenzeglijk het hoogste feest der oude Germanen, viel in de tweede helft van December en in de eerste van Januari. Dit wordt het tijdperk der "Twaalf Nachten" genoemd; onze oostelijke naburen spreken van de Zwölften, Unternächte, Rauchnächte of Losstage. Volgens sommigen moet men door de Rauchnächte de drie Donderdagen vóór Kerstmis verstaan[10]. De Tirolsche boerenalmanak geeft als zoodanig 6, 25 en 31 December, en 6 Januari aan. Het woord "Joel", afkomstig van het Oud-Noordsche jol (= *jul), hangt waarschijnlijk niet met het Angel-Saksische hveol = rad, samen, maar komt waarschijnlijk van eene Indo-Germaansche wortel JEKU, en beteekent "scherts", "vroolijkheid", zoodat dit feest, naar zijne etymologie te oordeelen, het "jolige" bij uitstek was[11]. Inderdaad, het karakter der beide Winterfeesten bestond in eene uitgelaten vroolijkheid, veroorzaakt 1º door het genieten der offergaven, gedurende dien tijd aan Wôdan c. s. en ook aan de zielen der afgestorvenen gebracht; en 2º--reden van oekonomischen aard--door de twee groote slachttijden, die met de winterfeestviering samenvielen, wanneer deze niet, zooals Tille beweert[12], zelfs de hoofdaanleiding tot de winterfeestviering gegeven hebben.
[9] Grundr. d. Germ. Philol., her. v. H. PAUL. I, p. 1125.
[10] WILHELM MANNHARDT, Der Baumkultus der Germanen und ihrer Nachbarstämme. Berlin, 1875. P. 542.
[11] Vgl. ELARD HUGO MEIJER, Germanische Mythologie. Berlin, 1891. P. 197.
The book keeps going
Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.



Scenes Storieta drew for other classics.
New illustrated classics
Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.