Public-domain ebook
Twee vroolijke geschiedenissen
by Fritz Reuter
Dutch393 downloads on Project GutenbergDownload EPUB
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #27783.
Public-domain ebook
by Fritz Reuter
Dutch393 downloads on Project GutenbergDownload EPUB
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #27783.
The opening · free to read
Na de bruiloft is het uit: Vóór de bruiloft wen je bruid.
Ik was zachtkens aan een oude knaap geworden. Ik was in de wereld rondgejaagd, hier heen en daar heen, ik had mijn hoofd menigmaal op eene zachte peluw nedergelegd, maar ook menigmaal op een bos stroo. Nu ik echter ouder werd, beviel mij dat stroo lang zoo goed niet meer als toen ik op twintigjarigen leeftijd was; want die in zijn kinderjaren gaarne gele wortels eet, versmaadt daarom, als hij ouder is geworden, juist geen gebraden gans. De menschen zeiden: "trouwen;" en ik zei: "bedenken," en beschouwde den heiligen huwelijksstaat als de vos de ganzenkooi, en dacht: "Ge zoudt er wel gaarne eene hebben! Ge komt er ook heel zacht in! Maar als gij er eerst eene uitgezocht hebt, komt ge er dan ook weder uit?"--Wanneer ik dan later weder aan het eeuwige varkens- en lamsvleesch van den hospes dacht, en hoe het er in mijne kamer uitzag, als op Gods lieve aarde vóór den eersten scheppingsdag, en hoe de oude sakkermentsche knoopen steeds van mijn kleêren scheurden, dan zeî ik: "trouwen;" en dan zeiden de malle menschen weder: "bedenken." Zoo zat ik dan steeds tusschen hangen en worgen, en de jaren begonnen al een grijzen tint over mijn hoofd te verspreiden. Toen stond ik eens bij de kachel en had mijne pijp aangestoken en keek naar het weder.
De sneeuw dwarrelde zachtkens van den hemel neer; 't was buiten zeer stil, geen rijtuig liet zich hooren; slechts in de verte hoorde men het gerinkel van sledebellen en het werd mij al te eenzaam: 't was bovendien heilige kerstavond. Terwijl ik nog zoo stond en onwillekeurig door de ruiten keek, kwam mijn schoenmaker Linsener met eene handslede vol hout voor zijne deur aan, wat hij in het stadsbosch bijeen verzameld had, en boven op de slede lag een groene dennetak. "Zie nu dien rakker eens aan!" zeg ik. "Hij zou mij een paar andere laarzen maken, en hij is met hout aan 't karren! Hij heeft mij al likdoorns aangelapt; ik laat bij dien kerel voortaan niets meer maken!"--Zoo sta ik toen nog een tijd lang, en ik gevoel eene huivering door al de leden en 't is alsof er ijs langs mijn' ruggegraat glijdt, en ik zeg tot mij zelven: "Natuurlijk!" zeg ik. "Eene verkoudheid, eene zware verkoudheid! En geen wonder? De laarzen zijn stuk? en met de wol, die ik aan vrouw Bütow gegeven heb, stopt zij hare eigene kousen, en de mijne hebben geene zolen meer. Alles in de wereld heeft zijn natuurlijke oorzaken."--Zoo stond ik, totdat het donker werd, en toen ik licht wilde aansteken, kon ik de lucifers niet vinden, en toen ik die gevonden had, wilde de lamp niet branden: vrouw Bütow had de kous niet afgeknipt; en toen die eindelijk na veel moeite begon te branden, ging ze weder vlak voor mijn neus uit; vrouw Bütow had er geen olie ingedaan. Onder zulke omstandigheden is het niet onaardig, wanneer er dadelijk iemand bij de hand is, dien men eens ferm de huid kan vol schelden; ik had echter niemand bij de hand, en wat zou ik dus aanvangen? Ik keek maar weder uit het venster.
Bij het gezin van den schoenmaker was het licht opgestoken en in de kamer begon het vroolijk en luidruchtig te worden, maar zien kon ik niets, want de gordijnen waren toegeschoven. "Zie nu eens bij den schoenmaker!" zeide ik, "knappe gordijnen!"--Ik had geene gordijnen; vrouw Bütow stelde geen belang in gordijnen. In den eersten tijd had zij mij wat lappen aan elkaâr genaaid; die zagen er uit als "van onder niets en van boven niets," en ik had ze afgetrokken, toen mij de menschen vroegen of ik aan mijne vensters kinderhemden te drogen hing. Natuurlijk ergerde ik mij dan nu over den schoenmaker: de vent maakte mij mijne laarzen niet, en wilde leven als een graaf, en ik zat in 't donker zonder gordijnen en met eene verkoudheid door al mijne leden. Welnu, ik ga de straat op en denk: "Wacht! ik zal dien kerel eens duchtig de les lezen!"
Toen ik de kamer inkwam, stond een denneboom op de tafel en er brandden lichten aan, en de kleine jongens van den schoenmaker, zijn Kareltje en Christiaantje, hadden een fluit en een trompet, en maakten muziek, en zijn klein Marieken juichte daarbij en gilde het uit, en greep met de handjes naar de lichten, en trappelde met de voetjes in haar moeders schoot, want zij kon nog niet loopen. De schoenmakersvrouw had het spinnewiel terzijde gezet, zij had een schoonen boezelaar voorgedaan en haren zondagschen doek omgeslagen en zette een zondags-gezicht daarbij, lachte de kinderen toe en wischte klein Marieken den mond af, wanneer die zich met de pepernoten wat al te smerig gemaakt had. De schoenmaker had een stuk linnen van eene huifkar over de werkplaats gelegd; hij had zijne pantoffels aangetrokken en zat nu met een lange pijp bij de kachel, en met een' kan bier voor zich.
Nu, hier kon toch niemand kwaad gemutst binnen komen. Ik zeide alzoo niet anders dan: "Goeden avond! ik wilde maar eens komen zien, waarom gij allen zoo vroolijk zijt."--En nu werd mij dan alles gewezen; de pepernoten en de appelen, de bonte-boonen-kransen en de rozenbottelskransen, de zeven krentenbroodspoppen en de eene suikerpop, die heel boven in den denneboom hing. "Het zijn altemaal begeerde zaken," zeide de schoenmaker, "drie jaren hebben wij ze nu gelukkig kunnen bewaren, tot op den staart na van dit huzarenpaard; dien heeft Christiaantje eens afgebeten, toen moeder er een oogenblik niet goed acht op gaf.--Ja, jou meen ik; liet hij er op volgen, en dreigde zijn jongen met den vinger.--"Ik wil hem mijn werk toch maar niet ontnemen," zeide ik tot mij zelven, en ik gevoelde mij innig vergenoegd, niettegenstaande ik vreeselijke hoofdpijn had. Maar toen schoenmaker Linsener mij het hoofd- en middelstuk had aangewezen en uitgelegd,--'t was Adam en Eva vóór den val, heel mooi in krentenbroodsdeeg gekneed, en met eieren en saffraan geel bestreken,--en toen de beide kleine Linseners zich rechts en links van onze eerwaardige stamouders posteerden en met toeteren en trompetten begonnen, toen werd het mij toch juist te moede alsof de oude wagenmaker Langklas mij met zijn stompe fretboor altijd pianoforte--pianoforte--in het hoofd boorde, dat het piepte en knarste, en mij daarbij vroeg of het niet heel mooi ging?--De schoenmaker scheen het mij aan te zien, dat ik mij niet recht wel gevoelde, want toen zijne beide kleine cherubs mij behoorlijk uit zijn paradijs getoeterd hadden, ging hij met mij naar den overkant en wilde mijn licht aansteken en vroeg waar de lucifers stonden.--"Ik heb ze wel," zeide ik, "maar de hemel en vrouw Bütow alleen weten waar ze te vinden zijn."--De schoenmaker hielp mij nu uit mijne laarzen en zeide: "Natte voeten! En ik heb u de andere laarzen niet in orde gemaakt!" Hij hielp mij naar bed en zeide: "Heb maar een weinig geduld, mijne vrouw zal ik bij u zenden en zij zal thee voor u zetten."--Dat gebeurde dan ook; maar wat in de eerste veertien dagen met mij is voorgevallen, daarvan weet ik niet veel te vertellen.--
Ik lag in een zwaren droom. Het kwam mij voor alsof mijne gansche kamer door brandende denneboomen verlicht was, en aan elken boom hing een fraaie krentenbroodspop met Adam en Eva en heel het paradijs, en als ik daarop afging en de hand er naar uitstrekte, dan had ik een kapotte laars in de hand en eene kous zonder zolen, en Christiaantje en Kareltje stonden tusschen mij en de gaven van den kerstavond, en floten en toeterden, dat het mij door het hoofd dreunde en knarste, en de duizend lichten dansten voor mijne oogen, en als ik dan riep: "Laat mij toch met rust! Laat mij toch met rust! Ik wil immers bij je vader weêr laten werken!" en dan de hand weder uitstak naar de mooie krentenbroodspop, dan drongen zij mij weder terug en toeterden mij in de ooren:
"Schoenen lappen, schoenen lappen! Hebt gij ook wat om te lappen? Voor zoo'n ouden jongen heer Is 't geen kerstmisvreugde meer!"
Toen begon de oude rood verglaasde pot, die aan mijn hoofdeinde stond, over zijn geheel breed en blank gezicht te lachen, en door de kamer liepen kapotte laarzen, die staken allen de tong uit, en schoenmaker Linsener pakte ze beet, de ééne na de andere, en reeg ze allen te zamen en hing ze aan mijn venster in plaats van gordijnen.--Aan mijn voeteneinde, daar zaagden twee, steeds afwisselend, hout: de een zaagde altijd kleine dunne stukjes voor een koffie-vuurtje, en de ander verwerkte knoesterig eikenhout; en als het hout voor het koffie-vuurtje gezaagd werd, dan danste de nachtmuts van vrouw Bütow voor mijne oogen op en neêr, altijd op en neêr; en als in het knoesterig eikenhout gewerkt werd, dan schemerde het mij voor de oogen, alsof een groote schoone aardbezie in een groen boschje stond, en als ik scherper toekeek, dan was het de roode neus van mijn oom Matthijs, die boven mijn groene deken uit kwam kijken.--
Eens op een nacht, toen er weder zwaar in het knoesterig eikenhout gewerkt werd, werd het mij op eens, alsof ik uit de duisternis in het licht kwam. Ik greep om mij heen. Waar was ik? Ik lag in bed, de nachtlamp brandde flauw, en in den grooten opgevulden leuningstoel lag mijn oom Matthijs inderdaad, tot aan zijn neus in mijn groene deken en snorkte allervreeselijkst. "Oom Matthijs!" riep ik.--In het eerst hoorde hij niet, maar eindelijk werd hij wakker en wreef zich de oogen uit. "Oom Matthijs," vroeg ik, "waar is de schoenmaker Linsener?"--"Jongen," zeide mijn oom,--want hij noemt mij nog altijd "jongen," ongeveer met evenveel recht als de oude buurman Haman altijd nog zijn twee-en-twintigjarig bij-de-hand's vóórpaard "het veulen" noemt;--"Jongen, begint ge al weder? Wat hebt ge toch met den schoenmaker Linsener te maken? De man doet u immers niets."--"Oom," zeide ik, toen hij zich weder ter deeg legde, om weder aan 't zagen te gaan, "is het waar; of heb ik het gedroomd? Hebben wij oude vrijers geen deel aan de kerstvreugde?"--"Gekkepraat!" zeide oom Matthijs. "Leg stil!"--"Ik ben zeker erg ziek geweest?" vroeg ik.--"Dat is God bekend," zeide mijn oom en kroop van onder de deken uit en nam de lamp en lichtte mij in de oogen. "Maar waarlijk, waarlijk! Ik geloof, dat ge het gevaar te boven zijt, want ge ziet er; mijn jongetje,"--en daarbij streelde hij mij,--"geheel anders uit. Kunt ge nu werkelijk zien, dat ik uw oom ben, en dat dit mijn neus is, en geen aardbezie? En wilt ge dat aardbeziën plukken nu zachtjes aan wel eens laten? Want ge hebt mij gisteren nacht tweemaal leelijk in het gezicht gepakt, toen ik een beetje ingedommeld was." Ik beloofde dat ik mij nu beter zou gedragen, want ik kwam nu weder tot mijn verstand.
In waarheid, de ziekte was geweken, maar nu kwam de ellende eerst aan. Ik was zoo ontzettend zwak, dat ik mij niet verroeren kon, en als ik de oogen eens opsloeg, dan stond vrouw Bütow voor mij en had den rooden verglaasden pot in de ééne hand en een lepel in de andere, en voerde en propte mij vol met een ziekensoep, die zoo stijf was als boekbindersstijfsel en ook zóó smaakte, en ze zeide dan: "Eet toch, eet toch maar!--Als ge niet eet, wordt ge niet beter." En bij al deze kwelling zette dat oude goedhartige meubel bij haren stijfselpot nog zulk een meêwarig gezicht, dat ik wel moest toehappen, of ik wilde of niet.--
The book keeps going
Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.



Scenes Storieta drew for other classics.
New illustrated classics
Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.