'S GRAVENHAGE, #GEBROEDERS BELINFANTE.#
Snelpersdruk van GEBROEDERS BELINFANTE, 's Gravenhage.
Eindelijk dan heeft het ontwaakte pligtgevoel gezegevierd en is, trots alle bezwaren, de lang verwachte dag van vrijheid vastgesteld.
Den 8 Augustus jl. werden de in November 1861 door den Minister LOUDON aangeboden en later door den Minister UHLENBECK overgenomen Emancipatie-ontwerpen, na in de Tweede Kamer der Staten-Generaal belangrijke wijzigingen te hebben ondergaan, door 's Konings handteekening tot Wet verheven, en is in de Staatsbladen no. 164 en 165 de voor onze nationale eer zoo welkome tijding bekend gemaakt: dat den 1 Julij 1863 de slavernij in Nederlands West-Indische Koloniën geheel zal ophouden te bestaan.
Ook had de afkondiging daarvan in die Koloniën al spoedig plaats, en werd die, zoo als te verwachten was, met vreugdegejuich en zonder de minste rustverstoring door de slavenbevolking vernomen.
Van harte juichen wij met die bevolking en met de duizende menschenvrienden, die daartoe met woord of daad bijdroegen, niet alleen omdat de slavernij in beginsel onregtvaardig en ten opzigte van den slaaf, zelfs bij de beste wetsbepalingen, dikwijls zeer drukkend en wreed is, maar ook omdat die op den duur den meester bederft, de ontwikkeling der Kolonie belet en den Staat onteert, die het daaraan onvermijdelijk verbonden dwangstelsel bescherming verleent.
Het is echter meermalen en te regt gezegd, de opheffing der slavernij is eene even moeijelijke als gewigtige zaak, want met de afkondiging der vrijverklaring is slechts het eerste woord gesproken en nog weinig tot wezenlijk heil voor de vrijgemaakten gedaan, terwijl daarmede, vooral in Suriname, de algemeene belangen in hooge mate op het spel gezet en die van duizende kolonisten en andere belanghebbenden zeer benadeeld, ja welligt tot onherstelbaar verval gebragt zijn.
Daarom dringt zich thans weder met klimmenden ernst de vraag op, wat zal de toekomst van Nederlandsch West-Indië zijn, die geheel nieuwe, zóó zorgwekkende toekomst der Koloniale Maatschappij en Nijverheid, waarvan tot heden de slavenstand een zoo veel leven en welvaart gevend gedeelte uitmaakte? Is er grond in de, na zoo veel overweging en uitstel, nog met overijling aangenomen wetsbepalingen, om die met vertrouwen te gemoet te gaan?
In het antwoord der Tweede Kamer op de troonrede, den 23 September jl. door den Koning uitgesproken, wordt, § 5, de hoop te kennen gegeven:
"dat de afschaffing der slavernij zal medewerken tot opbeuring van onze West-Indische Koloniën, uit den toestand van kwijning en verval, waarin deze vruchtbare gewesten sinds lang verkeeren." En die geheel ongemotiveerde en met de verklaringen en toelichtingen der Regering zoo geheel strijdige hoop, "_lokte geen discussiën uit_!"—
Voorwaar, een sterk bewijs van onverschilligheid of van lijdelijk berusten in eene door eigen toedoen vermeerderde duisternis en onzekerheid van toekomst; "_wij hopen_," zoo luidt het, terwijl het had kunnen en moeten zijn: "_wij hebben alle reden om te hopen, om te verwachten_," want wij hebben de met zóó veel vertrouwen en overtuiging door de Regering gevraagde middelen toegestaan.
Wat ons betreft, wij kunnen het niet ontveinzen, wij zijn in gemoede overtuigd en bewust die overtuiging met alle deskundigen te deelen, dat deze door de Tweede Kamer te kennen gegeven hoop niet door de onderhavige Emancipatie-wetten gewaarborgd wordt, maar dat integendeel, ook blijkens hetgeen door verschillende Ministers van Koloniën nu en vroeger is aangetoond, althans voor hen die in de nijverheid en welvaart van Suriname belang stellen, zeer moeijelijke en treurige tijden te wachten zijn, terwijl tevens de noodzakelijkheid van belangrijke jaarlijksche subsidiën bestendigd is.
In de Memorie van Beantwoording, door den tegenwoordigen Minister van Koloniën, gegeven op de overwegingen en opmerkingen, welke in de afdeelingen der Tweede Kamer omtrent de door hem overgenomen wets-ontwerpen gemaakt waren, leest men, pag. 1, zijne verklaring:
"dat hij de uitvoering daarvan met vertrouwen op zich neemt, wanneer de grondslagen waarop de geheele economie der wet rust, onaangeroerd blijven, en niet worden onthouden of bekort de middelen, door welke te zijner tijd de geregelde uitvoering van een zóó scherp ingrijpenden maatregel alleen mogelijk zal zijn."
Ook was bij verschillende gelegenheden door Regering en meerderheid der wetgevende magt, de zoo aanhoudend betoogde noodzakelijkheid van Staats-toezigt en Immigratie als gelijktijdige maatregelen met de afschaffing der slavernij zoodanig openbaar erkend, dat de grondslagen waarop de Regerings-voorstellen rustten, althans in naam en volgorde onaangeroerd bleven, en (blijkens de in het Journal des Débats en andere nieuwsbladen voorkomende loftuitingen) is door de oppervlakkige beoordeelaars het verschil niet ontwaard, dat er bestaat tusschen de wèldoordachte, op kennis van zaken rustende wets-ontwerpen, en de thans tot wet verheven, door de Tweede Kamer voorgeschreven vrijverklaring.
Zien wij dus wat daarvan is, vooreerst om, door het openbaar constateren en herinneren van feiten, te doen uitkomen dat het verval eener schoone Kolonie en de daaruit te verwachten noodzakelijkheid van eindelooze subsidiën meer is toe te schrijven aan het verzuim van tijdige maatregelen ter vervanging van den slavenarbeid, dan aan de opheffing der slavernij, en, in de tweede plaats, ten einde zoowel in 't algemeen belang als in dat van 't zwaarbeproefde Suriname, door eene duidelijke bekendmaking der ramp die het in 't aannemen der amendementen getroffen heeft, te beter te kunnen aanwijzen, wat nog met de ten dienste staande middelen tot behoud en ontwikkeling kan gedaan worden.
De beschouwing der vier eerste artikelen van de wet, in tegenstelling met die van het Regerings-voorstel, is daartoe bijna voldoende; want de algemeene grondslagen, waarop die wet berusten moest, waren duidelijk en op logische wijze geheel in de vier artikelen opgenomen en aangetoond, terwijl de overige artikelen slechts strekken ter bepaling der middelen van uitvoering.
Art. 1 wordt, zoo als oorspronkelijk in het door den Minister LOUDON aangeboden wets-ontwerp was voorgesteld, aangenomen, en daardoor is op den 1 Julij 1863 de slavernij in de West-Indische Koloniën voor goed opgeheven; maar reeds in
Art. 2, waarbij, "aan de eigenaren van slaven, ter zake van de opheffing der slavernij, vergoeding wordt toegekend" is het woord "vergoeding" door tegemoetkoming vervangen, daar men meende, in betere overeenkomst met die uitdrukking, den Surinaamschen planter twee derden van de hem in billijkheid toekomende en in het algemeen belang voor immigratie toegewezen ondersteuning, te kunnen onthouden en de zeer matig gestelde vergoeding voor de slaven-eigenaren op St. Martin geheel willekeurig van 150 tot 30 gulden per slaaf te kunnen verminderen; hoe echter die tegemoetkoming ook de eigenaren moet voldoen van de kinderen der slavinnen, die na de afkondiging der wet in de Koloniën, maar vóór de opheffing der slavernij 1 Julij 1863, dat is gedurende omtrent tien maanden, zullen geboren worden, zal den gelukkigen eigenaar, die intusschen voor huisvesting en onderhoud van kraamvrouw en kind moet zorgen, wel een even onverklaarbaar en onaangenaam raadsel blijven, als de redenen der herleiding van ƒ150 vergoeding tot ƒ30 tegemoetkoming, dit voor de begenadigden van St. Martin moeten wezen.
Wij vermeenen echter dat het den verongelijkte en verarmde Kolonisten niet ten kwade te duiden is, wanneer zij, bij de zoo bitter te leur gestelde hoop op de billijkheid der Nederlandsche Volksvertegenwoordiging, deze economie eene schandelijke oneerlijkheid noemen.[1]
[1] Zie den brief, namens de eigenaren op St. Martin bij hun Adres aan de Eerste Kamer der Staten-Generaal overgelegd; daar wordt de uitlegging alsof hunne slaven, regtens of feitelijk, door verklaring, erkenning of toedoen der meesters zouden zijn vrij geworden, eene opzettelijke miskenning der waarheid genoemd, "ten einde eene schandelijk oneerlijke politiek te volgen" (for the adoption of a shamefully dishonest policy).
Art. 3. Volgens het Regerings-voorstel:
"De krachtens art. 1 vrijgemaakten, staan van 1 Julij 1863 onder een bijzonder toezigt van den Staat voor den tijd van tien jaren."
Door de meerderheid in de Tweede Kamer is het woord "_hoogstens_" vóór de woorden "_tien jaar_" geplaatst; daardoor echter wordt op eene in 't oog vallende wijze de bedoeling van 't Staats-toezigt, zoo duidelijk en volkomen in het wets-ontwerp ontwikkeld en aangewezen, geheel ontkend, en om alles daaromtrent nog meer op losse schroeven te zetten en de uitvoering van de wet zoo moeijelijk mogelijk te maken, heeft diezelfde meerderheid het geheel nieuw artikel 20 ingeschoven, waarbij "_de Gouverneur van Suriname wordt bevoegd verklaard, om de vrijgemaakten, die zich door zedelijk gedrag en arbeidzaamheid gunstig onderscheiden, van het Staats-toezigt te ontslaan_."
Ten blijke hoe zeer daardoor de derde grondslag der wet is ondermijnd en verzwakt, en welke nadeelen daarvan, zoowel door den tegenwoordigen Minister als door zijnen voorganger, zijn aangetoond, wijzen wij op de Memorie van Toelichting, pag. 5, alwaar gezegd wordt:
"dat de Regering het behoud van dit toezigt bij de aangeboden wets-voordragt, vóór Suriname onmisbaar acht;" en op pag. 14: "Het ontslag van het Staats-toezigt voor enkele is strijdig met de oeconomie dezer wet.—Op den vollen duur van tien jaren berust het contracten-stelsel, dat den band daarstelt om de vrijgemaakten aan het werk te houden, en den grondslag uitmaakt der finantiële berekeningen, tot dekking van een gedeelte der kosten van Immigratie; daarop kunnen geene uitzonderingen worden toegelaten zonder het verband der wet te verzwakken."
Maar ook in de Memorie van Beantwoording komt voor, pag. 4:
"dat het verleenen van de bevoegdheid, om eerder van het Staats-toezigt te ontslaan, de geheele oeconomie der wet zou verbreken;
"dat het, vooreerst, toch eene voorwaarde van het voorgedragen stelsel is, dat de landbouw in stand blijve en zoo mogelijk nog meer worde ontwikkeld; dat, verleende men nu de verlangde vrijheid, het in het oog valt hoe alleen de geschikte werklieden van de uitzonderings-bepalingen het genot zouden hebben, en wel ten nadeele van den landbouw, terwijl de plantage-eigenaren ten laatste niets meer zouden overhouden dan de non-valeurs;
"dat, ten andere, eene onbillijkheid zou worden gepleegd jegens de plantage-eigenaren, omdat zij ten opzigte hunner onderhavige bevolking, bestaande uit bekwamen en onbekwamen, verpligtingen hebben te vervullen, welke hun zijn opgelegd met het oog op de diensten die zij voornamelijk van de werkbaren trekken;
"dat, in de derde plaats, de wensch om het familie-leven te bevorderen, veelal illusoir zou worden gemaakt; want, naar het voorbeeld van zoo vele anderen, zouden de geheel, men mag zeggen vervroegd vrijgemaakten, zich zeer vermoedelijk aan eene losbandige levenswijze overgeven en zich onttrekken aan den invloed van Christendom en beschaving."
Het is waar, in de zitting der Tweede Kamer van den 4den Julij, verklaarde de Minister van Koloniën desniettemin, geen bezwaren te hebben om het woord hoogstens in het artikel op te nemen en, na in de zitting van den 8sten Julij nog te hebben verdedigd het beginsel dat het Staats-toezigt voor allen even lang moet werken, gaf hij in diezelfde zitting te kennen, dat hij geene overwegende bedenking had tegen de opname in het ontwerp, van het door den heer VAN BOSSE voorgestelde en na des Ministers verklaring aangenomen artikel 20. Maar dit toegeven mag, gelooven wij, toegeschreven worden aan de vrees des Ministers van door het vasthouden aan een punt, hetwelk, niettegenstaande alle voorafgegane toelichtingen, in zijn oog slechts van ondergeschikt belang scheen, het geheele Staats-toezigt te verliezen en mag dus aangemerkt worden als het gevolg van zedelijken dwang.