Storieta
Sign up

The opening · free to read

Op een ochtend in het eind van Januari stond abbé Pierre Froment, die in den Sacré-Cœur van Montmartre een mis moest lezen, reeds voor acht uur voor de basilica. Alvorens naar binnen te gaan, keek hij een oogenblik naar Parijs, welks grenzenlooze zee zich aan zijn voeten ontrolde.

Na twee maanden van vreeselijke koude, sneeuw en ijs lag Parijs nu als het ware gedompeld in een somberen, huiverenden dooi. Uit den wijden, loodkleurigen hemel hing een dichte nevel als een rouwsluier. Het geheele Oosten der stad, de wijken van armoede en werk, schenen in rosachtige dampen, waarin men den adem van werkplaatsen en fabrieken vermoedde, gehuld, terwijl naar het Westen, naar de wijken van rijkdom en genot, de mist òplichtte, niet meer dan een fijne, onbeweeglijke nevelsluier was. Nauwlijks kon men raden, waar de ronde lijn van den horizont was, het onmetelijke huizenveld geleek een chaos van steenen, bezaaid met stilstaande poelen, die de inzinkingen met een valen waterdamp vulden, en waartegen de muurkappen der gebouwen en de hoog gelegen straten roetachtig zwart afstaken. Het was een mysterievol, door wolken omsluierd Parijs, als begraven onder de asch van een ramp, reeds half verdwenen onder het lijden en de schande van wat zijn onmetelijkheid verborg.

Mager en droefgeestig in zijn dunne soutane stond Pierre nog te kijken, toen abbé Rose, die zich blijkbaar achter een pilaar verscholen had, om hem op te wachten, op hem toetrad.

“Zoo, ben jij daar eindelijk, beste jongen? Ik heb je wat te vragen.”

Hij scheen verlegen, zenuwachtig. Wantrouwend keek hij om zich heen, of er niemand was; dan nam hij hem, alsof de eenzaamheid hem niet voldoende gerust stelde, een paar passen mede in den ijzigen Noordenwind, dien hij blijkbaar niet eens voelde.

“Luister eens, het betreft een armen man, over wien ze me gesproken hebben, een ouden man van zeventig jaar, die niet meer werken kan en in een krot in de rue des Saules van honger omkomt... En nou had ik gedacht, beste jongen, dat jij die drie francs uit mijn naam moest gaan brengen, dan heeft hij tenminste nog voor een paar dagen brood.”

“Maar waarom gaat u zelf uw aalmoes niet brengen?”

Weer werd abbé Rose zenuwachtig en keek met verschrikte, schuwe blikken om zich heen.

“Neen, neen, dat kan ik niet na al die onaangenaamheden, die ik ondervonden heb. Je weet heel goed, dat ze op me letten en dat ik weer een standje krijgen zou, als ze merkten, dat ik zoo maar gaf, zonder te weten aan wien ik geef. Ja, ik heb, om die drie francs te krijgen, wat moeten verkoopen... Ik smeek je, beste jongen, bewijs mij dezen dienst.”

Diep ontroerd keek Pierre naar den goeden, reeds geheel grijzen priester met zijn dikken, goedigen mond, zijn heldere kinderoogen in het ronde, glimlachende gezicht. In een opwelling van bitterheid herinnerde Pierre zich de geschiedenis, van dezen vriend der armen, de ongenade, waarin deze vrome, menschlievende man door zijn verheven rechtschapenheid gevallen was. Zijn kleine rez-de-chaussée in de rue de Charonne, waarvan hij een asyl gemaakt had, waarin hij alle ellende der straat opnam, was ten slotte de oorzaak van een schandaal geworden. Men maakte er misbruik van zijn goedgeloovigheid en van zijn onschuld; zonder dat hij er ook maar iets van vermoedde, gebeurden er de schandelijkste dingen. Snollen, die geen man gevonden hadden, om haar mede te nemen, zochten hier haar onderkomen. De gemeenste rendez-vous werden er gegeven, het was een afschuwelijke vermenging van geslachten. Op een goeden nacht had de politie een inval gedaan, om een wegens kindermoord verdacht meisje van dertien jaar te arresteeren. De kerkelijke autoriteit had daarop abbé Rose gedwongen zijn asyl te sluiten door hem over te plaatsen naar de St. Pierre de Montmartre, waar hij zijn vicariaat terugkreeg. Het was geen ongenade, maar een eenvoudige overplaatsing. Men had hem verwijten gedaan, terwijl men nu, zooals hij zeide, zijn gangen naging; hij schaamde zich en voelde zich ongelukkig, omdat hij nu slechts in het geheim geven kon, als een dwaze verkwister, die bloost over zijn fouten.

Pierre nam de drie francs.

“Ik beloof u, dat ik heel graag doen zal wat u vraagt.”

“Je gaat toch zeker na je mis? Hij heet Laveuve en woont in de rue des Saules in een huis met een binnenplaats, even voor je in de rue Marcadet komt. Je zult het makkelijk vinden... En als je zoo goed wilt zijn me vanavond om vijf uur in de Madeleine, waar ik naar een lezing van monseigneur Martha ga luisteren, te komen vertellen hoe het afgeloopen is, dan zou je me een heel groot plezier doen. Monseigneur Martha is altijd zoo hartelijk voor me geweest. Kom jij ook niet luisteren?”

Pierre antwoordde met een ontwijkend gebaar. Monseigneur Martha, bisschop van Persepolis, die in het aartsbisschoppelijk paleis veel invloed had, sedert hij als werkelijk geniaal propagandist de inkomsten voor den Sacré-Cœur vertienvoudigde, had inderdaad abbé Rose onder zijn bescherming genomen en doorgezet, dat men hem in Parijs liet en weer naar de Saint-Pierre de Montmartre Verplaatst had.

“Ik weet niet of ik zal kunnen blijven,” zeide Pierre. “Maar in ieder geval kom ik u mijn bevindingen vertellen.”

De Noordenwind en de grimmige koude doordrong hen beiden op den eenzamen top, in den mist, welke de groote stad in een oceaan van nevels veranderde. Maar stappen deden zich hooren; en dadelijk weer vol wantrouwen, zag abbé Rose een zeer grooten en krachtigen man voorbijgaan. Hij droeg overschoenen en liep blootshoofds met zijn dik, grijs, kortgeknipt haar.

“Is dat je broer niet?” vroeg de priester.

“Ja,” antwoordde Pierre kalm; “het is mijn broer Guillaume. Nu ik in den laatsten tijd nog al eens in den Sacré-Cœur kom, zie ik hem vrij dikwijls. Hij woont hier nu al vijf-en-twintig jaar in de buurt, geloof ik. Als we elkaar tegenkomen, geven we elkaar een hand. Maar ik ben nog niet bij hem geweest... Och, tusschen ons is alles dood, we hebben niets gemeenschappelijks meer, werelden scheiden ons...”

Het liefdevolle glimlachje van abbé Rose kwam weer terug en hij maakte een gebaar, als wilde hij te kennen geven, dat men nooit aan de liefde moet wanhopen. Guillaume Froment, een geleerde met een helder hoofd, een chemicus, een afvallige, die geheel afgezonderd leefde, was nu een van z’n parochianen geworden, en wanneer de abbé langs het huis, waarin hij met zijn drie volwassen zonen steeds aan het werk was, kwam, voelde hij het als een ideaal om hem voor God te heroveren.

“Maar ik laat je hier maar in dit akelige, koude weer staan, en zoo warm ben jij ook niet gekleed... Ga je mis lezen. Tot vanavond in de Madeleine.”

En weer rondkijkend, of niemand hem hooren kon, voegde hij er smeekend, met zijn gezicht van een kind, dat altijd doet wat het niet doen mag, aan toe:

“En spreek er met niemand over. Anders zeggen ze weer, dat ik me niet goed gedraag.”

Pierre keek abbé Rose na, die zich verwijderde in de richting van de rue Cortot, waar de oude priester op een vochtigen rez-de-chaussée, die door het uitzicht op een tuintje opgevroolijkt werd, woonde. De asch, waaronder Parijs begraven lag, scheen onder de vlagen van den ijzigen Noordenwind dikker te worden. Eindelijk ging Pierre de basilica binnen. Zijn hart weende, was vol van de bitterheid, welke dit bankroet der naastenliefde in hem opgewoeld had. Welk een verschrikkelijke ironie, dat deze vrome man gestraft was omdat hij gegeven had, dat hij zich achter een pilaar verbergen moest, om te blijven geven! Niets verzachtte het branden van deze weer open gegane wond, noch den lauw-warmen vrede, dien hij binnentrad, noch de zwijgende plechtigheid van het breede, diepe schip met zijn kale, nieuwe steenen. Er waren nog geen schilderijen, geen versieringen in; de stelling, die opgericht was voor den in aanbouw zijnden koepel, versperde half den weg. Op dit vroege ochtenduur, in het grijze licht, dat door de hooge, smalle vensters binnenviel, waren aan verscheidene altaren reeds verscheidene stille missen gelezen, brandden achter in de apsis gewijde kaarsen. Vlug liep Pierre naar de sacristie, om daar de heilige gewaden aan te trekken en dan in de kapel Saint-Vincent-de-Paul zijn mis te lezen.

Maar nu de herinneringen eenmaal in hem teruggekomen waren, dacht Pierre, terwijl hij machinaal de voorgeschreven gebaren maakte, slechts aan zijn wanhoop. Sedert zijn terugkomst uit Rome—drie jaar geleden nu—leefde hij in den vreeselijksten ziele-angst, waarin een mensch geraken kan. Om zijn verloren geloof terug te vinden, had hij een eerste proef genomen, was hij naar Lourdes gegaan, om daar het naïeve kindergeloof te zoeken, dat nederknielt en bidt, het primitieve geloof der jonge volkeren, die gebogen zijn onder het juk van hun onwetendheid. Maar bij het zien van de verheerlijking van het absurde en van het verval van het gezonde menschenverstand was hij nog meer in verzet gekomen en had de overtuiging gekregen, dat het heil, de vrede der hedendaagsche menschen en volkeren niet liggen kan in het kinderlijk opgeven van de rede. Vervolgens had hij, weer aangegrepen door den drang, om lief te hebben, met een tweede proef zijn laatsten vrede op het spel gezet en was naar Rome gegaan, om te zien, of het Katholicisme zich vernieuwen, tot den geest van het oorspronkelijk Christendom terugkeeren, de godsdienst van de democratie, het geloof zijn kon, dat de moderne in doodsgevaar verkeerende wereld verwachtte, om verder in vrede te kunnen leven; maar hij had daar niets gevonden dan puinhoopen, dan den verrotten stam van een boom, die geen nieuwe vruchten meer dragen kan; had er niets gehoord dan het laatste kraken van het oude, maatschappelijke gebouw, dat op het punt stond in te storten. Weer aangegrepen door zijn grooten twijfel, waarin hij bijna alles ontkende, was hij toen, uit naam van hun armen door abbé Rose teruggeroepen, weer naar Parijs teruggegaan, om daar te vergeten, zich op te offeren, te gelooven in hen, omdat zij met hun vreeselijke lijden alleen voor hem bestonden. En van af dat oogenblik, sedert die drie jaar was hij gestooten op dit bankroet der goedheid zelve, op de belachelijke, nuttelooze, gehoonde naastenliefde.

Deze drie laatste jaren had Pierre in een onophoudelijk toegenomen marteling doorleefd, waarin ten slotte zijn geheele wezen onderging. Zijn geloof was voor altijd gestorven, ja zelfs zijn hoop, om het geloof der menigte voor het gemeenschappelijk heil te benutten, was geheel vervlogen. Hij loochende alles, verwachtte niets meer dan de onvermijdelijke slotcatastrophe, opstand, moordpartijen en brandstichting, die een schuldige en tot ondergang gedoemde wereld moesten wegvagen. Als ongeloovig priester wakend over het geloof van anderen, kuisch en fatsoenlijk zijn beroep vervullend, vol trotsche droefheid, dat hij geen afstand had kunnen doen van zijn rede, zooals hij afstand gedaan had van zijn vleesch en van zijn droom om redder der volkeren te zijn, hield hij zich toch staande in een eenzame en wilde grootschheid. Deze wanhopige loochenaar, die de diepte van het Niet gepeild en aangeraakt had, behield een zoo trotsche en ernstige, door zoo reine goedheid doorgeurde houding, dat hij in zijn parochie Neuilly de reputatie van een door God beminden, jongen heilige gekregen had, wiens gebed wonderen werkte. Hij was de orderegel zelf; hij bezat niet meer dan het priesterlijk gebaar zonder de onsterfelijke ziel: hij was niet meer dan een ledig graf, waarin zelfs de asch van de hoop niet meer overbleef—en door smart gemartelde vrouwen, in tranen badende parochianen aanbaden hem, kusten zijn soutane; ja, een vrouw, wier kind thuis op sterven lag, was hem in wanhoop komen smeeken aan Jezus genezing te vragen, zeker als zij was, dat Jezus die hem in het heiligdom van Montmartre, waar het wonder van zijn van liefde brandend hart vlamde, toestaan zou.

The book keeps going

Keep reading, and see it illustrated

Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.

Illustrated scene from The Adventures of Sherlock HolmesIllustrated scene from FrankensteinIllustrated scene from The Great Gatsby

Scenes Storieta drew for other classics.

New illustrated classics

A new classic, drawn, in your inbox.

Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.