Storieta
English
Sign up

The opening · free to read

VAN MEZELF, M’N OUËRS, M’N OOM FRITS, EN DE BROEK VAN M’NHEER VAN LEDDERUM.

Ik heb altijd erg veel van vertellen gehouën. Ik bedoel daarmee niet, dat ik graag hoorde vertellen. Natuurlijk deed ik dat ook, net als iedere jongen. Toen ik nog in de klas van Meester Lindeman zat, was et laatste half uur of drie kwartier van de week altijd ’et heerlijkste. Want als we ’et in den loop van de week niet al te bont gemaakt hadden, en dat kwam bij Meester Lindeman zoowat nooit voor, dan gebruikte-die Zaterdags de laatste les, om ons ’n verhaal te doen. ’Et kon ons dan geen steek schelen, of de bel ging, of eigenlijk hadden we ’em maar liever niet gehoord. Nu, ’et gebeurde dan ook dikwijls genoeg, dat Meester er zich niet aan stoorde en kalm doorvertelde.

Maar wat ik daar even wou zeggen is, dat ik als jongen zelf zoo graag vertelde. Wat ik in boeken gelezen of van anderen gehoord had, verhaalde ik aan wie maar luisteren wou, en al heb ik er m’n hoorders misschien niet altijd ’n plezier mee gedaan, voor mezelf was ’et altijd verrukkelijk. Als ik ’n geschiedenis in ’n boek mooi of leuk vond, en er van genoot, dan merkte ik toch steeds, dat-i nog veel mooier en leuker werd, als ik ’em kon navertellen. Ik meen, voor mezelf. Misschien kwam dat voornamelijk daardoor, dat er bij de verhalen die ik las, gewoonlijk zooveel dingen gezegd werden, die me heelemaal niet konden schelen, en die toch ook werkelijk met de geschiedenis zelf geen snars te maken hadden. Daar had je bijvoorbeeld dat eeuwige gezeur over de natuur. „Het was zomer.” Nu zou je denken, dat je daarmee precies genoeg wist. ’n Jongen van ’n jaar of twaalf weet toch zeker wel zoo zachtjes aan, wat er ’s zomers buiten te zien is. Maar jawel, dan volgde daar meestal ’n heele bladzij met: „De weiden waren groen, de bloempjes bloeiden, de vogeltjes zongen in de boomen, de vischjes spartelden in het water,” en dergelijke belangrijke mededeelingen. En datzelfde kreeg je bij alle jaargetijden te slikken. Of je zou gaan lezen van ’n Sinterklaasfeest bij m’nheer Jansen aan huis, en je was nieuwsgierig, wat daarbij gebeuren zou. Maar dan werd je eerst ’n paar bladzijden lang bezig gehouden met ’n kachel die vroolijk snorde en ’n lamp die helder brandde, en ’n ouën leunstoel en ’n groote ronde tafel en ’n gezellig theelichtje. Heel belangrijk misschien voor ’n Indiaan of ’n neger uit de binnenlanden van Afrika, maar voor ’n Hollandschen jongen, die duizend maal zoo’n kamer gezien heeft, niet bizonder.

Nu, als ik de geschiedenis navertelde, kon ik al dat moois gelukkig overslaan. M’n toehoorders waren gewoonlijk de jongens uit m’n klas of ’et dienstmeisje bij ons thuis. Op de speelplaats van onze school en bij ’et loopen op straat waren er meestal wel ’n paar luisteraars naar m’n verhalen te vinden. ’Et spreekt van zelf, dat ik ook wel meedeed aan spelletjes, maar ik was niet bizonder sterk en kon niet erg hard loopen. Ik denk, dat ik zonder m’n liefhebberij voor vertellen lang niet zoo gezien onder de jongens zou geweest zijn. Maar nu was ik met de meeste goeïe vrienden en ik geloof niet, dat iemand op school ’n hekel aan me had.

Zooals ik al zei, bij me thuis was ’et haast altijd ’et dienstmeisje, aan wie ik m’n vertellingen sleet. Als—wat de meeste avonden ’et geval was—m’n vader niet thuis en m’n moeder in bed was, kon ik ’et in m’n eentje in de huiskamer niet goed uithouën. Als ik m’n huiswerk af had en niets te lezen vond, zocht ik dan ook dikwijls m’n heil in de keuken. En daar vond ik gewoonlijk ’n paar ooren, die met veel belangstelling naar m’n geschiedenissen luisterden. Meest bleven de dienstmeisjes niet erg lang bij ons, en ze waren soms jong en soms oud, soms vriendelijk en soms brommerig, maar van vertellen hielden ze toch haast allemaal. En toen Keetje, die geloof ik nog ’et langst bij ons geweest was, en die ik altijd erg aardig gevonden had, heenging, gaf ze me ’n zoen, wat ik heel raar vond, en zei ze, dat ’et ’er speet, dat ze weg moest, alleen om die prettige avondjes met mij in de keuken.

Je zult ’et misschien vreemd vinden, dat ik met m’n verhalen niet in de eerste plaats bij m’n vader en moeder aankwam of bij broertjes of zusjes. Maar dat was toch heel natuurlijk. Zusjes had ik heelemaal niet. Ik had alleen twee broers, die acht en negen jaar ouër waren dan ik. M’n oudste broer had ’n betrekking in Indië en m’n andere was in Engeland op ’n kantoor. Ik zal zoowat tien jaar geweest zijn, toen ze heengingen, niet tegelijk, maar toch kort na elkaar. En ik was zelf al volwassen, toen ik ze voor de eerste maal terug zag.

M’n vader was heel weinig thuis. Hij had ’n groothandel in stokvisch, zoutevisch, haring en ansjovis. In m’n heele-jongen tijd hadden we boven de zaak gewoond, maar de lucht van de stokvisch zat zoo door ’et heele huis en in al onze kleeren, dat we daar dikwijls last van hadden. Op de fröbelschool, waar ik ging, wou geen kind naast me zitten, en sommige ouders schreven er briefjes over aan de juffrouw. En als ik in ’n tram of bij iemand op visite was, merkte ik altijd aan de menschen, dat ze me op ’n bizondere manier aankeken. Eens toen ik in de tram zat naast ’n juffrouw met ’n pakje op ’er schoot, zei de conducteur: „Juffrouw, ik mag u met die stokvisch niet binnen laten zitten, u moet buitenop gaan staan.” Je begrijpt, dat de juffrouw kwaad werd, en ’et papier van ’er pakje afrukte, en aan den conducteur en al de passagiers liet zien, dat er niets anders in zat dan ’n onschuldige bonte boezelaar, en dat ze mopperde van dat ’et ’n schandaal was, en dat zij geen stokvischlucht bij ’er had. En je begrijpt zeker ook, dat m’n moeder meteen zei: „Conducteur, volgende halte”, en dat we uitstapten op ’n plaats, waar we heelemaal niet moesten wezen.

Zoo kwam ’et, dat we gingen verhuizen. Elken morgen al vóór zevenen ging m’n vader naar z’n zaak, en ik was dan nog niet op. ’n Enkelen keer kwam-i thuis koffiedrinken, maar gewoonlijk zag ik ’em voor ’et eerst, als we om half zeven gingen eten. Na den eten ging-i de krant lezen, maar meestal viel-i daarbij in slaap en dommelde door tot ’n uur of acht. Dan dronk-i ’n kop thee en ging uit. Hij was ’n liefhebber van schieten en lid van ’n schietvereeniging. Of-i elken avond daarheen ging, weet ik niet, maar thuis bleef-i in elk geval heel zelden, meest alleen, als-i verkouden of niet erg lekker was, en vroeg naar bed ging. ’Et gebeurde misschien vier keer in ’n jaar, dat-i mij meenam op ’n wandeling, en dan ontmoetten we nog meestal ’n heer of ’n dame, die vader kende, en die met ons opliepen en met vader praatten en lachten, maar die van mij bitter weinig notitie namen. Ik weet wel, dat ik er me bij die gelegenheden altijd over verwonderde, dat m’n vader dan zooveel spraakzamer en vroolijker was, dan ooit bij ons thuis, behalve wanneer-i ’es ’n enkelen keer ’n paar vrienden bij zich had.

M’n moeder was eigenlijk m’n moeder niet. M’n eigen moeder was gestorven, toen ik acht dagen oud was. Er hing op m’n slaapkamertje boven m’n ledikant ’n groot portret van haar, dat m’n vader naar ’n kleine photographie had laten maken, die vroeger in ons album zat, maar die m’n oudste broer mee naar Indië had genomen. Dikwijls keek ik naar dat portret in z’n breede zwarte lijst en toen ik nog heel jong was en ’n beetje angstig zoo alleen in m’n kamertje boven in ’et huis, gaf ’et me ’n kleinen troost, als ik er aan dacht, dat ’et daar hing. Maar ’et smalle bleeke gezicht, met de groote vriendelijke oogen, maakte toch altijd meer op mij den indruk van iets vreemds, dan van iets, dat mij lief was en vertrouwd. Wat wist ik ook van haar! Niet alleen had ik haar nooit gekend, maar ik had ook haast niets van haar gehoord. En wat ik van haar had hooren vertellen ... maar dat komt straks.

M’n vader was voor de tweede maal getrouwd, toen ik drie jaar was. Of de moeder, die ik toen kreeg, ooit gezond en vroolijk geweest is, weet ik niet, maar ik heb haar nooit anders dan ziek gekend. Dat wil zeggen, ze lag niet altijd te bed en de dokter kwam niet elken dag en ze at en dronk meestal wel gewoon, en ze ging ook wel uit, maar ze was toch niet als andere menschen. „Zenuwen”, heette haar kwaal. Als ik wat veel praatte, of ’n blokje van m’n bouwdoos liet vallen, of in de kamer heen en weer liep, dan maakte dat m’n moeder dadelijk zenuwachtig. Daarom werd ik ook al met m’n vierde jaar, den dag na m’n verjaardag, naar ’n fröbelschool gestuurd, want de dokter had gezegd, dat m’n moeder meer rust moest hebben. In de groote vacantie ging ik naar vreemde menschen buiten, ’n paar maal naar Laren en de meeste keeren naar Zandvoort Dan kwam m’n vader me meestal één keer en m’n moeder me ’n paar maal bezoeken, maar gewoonlijk had de reis ’er zoo vermoeid, dat ze niet met me kon gaan wandelen, maar ’n uurtje moest gaan rusten en dan weer vertrok.

Je begrijpt nu wel, dat m’n ouërs niet de menschen waren, die ik met m’n vertellen kon lastig vallen. Veel familie hadden we niet. Oom Frits was eigenlijk de eenige, die voor mij wat beteekende. Hij was ’n oom van m’n moeder—van m’n werkelijke moeder dan—en dus mijn oudoom. Hij was op den dag af zeventig jaar ouër dan ik, want we waren gelijk jarig. Getrouwd was-i nooit geweest, en-i woonde als commensaal bij ’n paar menschen zonder kinderen, die allebei ook al tamelijk op leeftijd waren. Welke betrekking m’n oom vroeger gehad had, weet ik niet precies. Ik hoorde er wel ’es over spreken, dat hij en m’nheer Arnolds—dat was de m’nheer bij wien-i in huis woonde—vroeger allebei „bij de stad” geweest waren, maar wat dat beteekende, wist ik niet recht. In elk geval waren ze, toen ik ze leerde kennen, al lang gepensionneerd, en ze hadden dus al den tijd, om zich met mij bezig te houën, als ik er op visite was.

En dat gebeurde nog al ’es. M’n vader en m’n moeder liepen oom Frits nu niet bepaald de deur plat; als ze eens in ’et jaar bij em kwamen, zal ’et veel geweest zijn. Maar ze hadden er niets op tegen, dat ik er heen ging, en als ik thuis ’n beetje druk was, zei m’n moeder al gauw tegen ’et dienstmeisje: „Breng ’em maar ’n uurtje naar oom Frits”. En toen ik wat ouër was, en zelf den weg naar z’n huis kende—hij woonde gelukkig in onze buurt—was ’et nog gemakkelijker. Er ging dan ook van m’n vijfde of zesde jaar af geen week voorbij, dat ik niet twee of driemaal ’n middag bij oom doorbracht. En dat heeft geduurd tot aan z’n dood toe. Veertien dagen vóor z’n tachtigsten verjaardag was ik ’et laatst bij ’em geweest; den volgenden dag werd-i ziek, en drie dagen later stierf-i. Ik zie nog m’nheer Arnolds voor ’et eerst van z’n leven onze huiskamer binnenstappen, en terwijl ik er over spreek, voel ik nog weer den schok, die er door m’n heele lichaam heenging, toen ik z’n bedroefd gezicht zag. Et was, of er van binnen iets in me knapte. Vader en moeder namen de tijding van m’n oom z’n dood heel wat kalmer op. Toch geloof ik, dat m’n vader ’n oogenblik getroffen werd door m’n verslagenheid; hij nam althans de uitnoodiging van m’nheer Arnolds aan, om mee te gaan met ooms begrafenis. En zoo iets was anders niets voor m’n vader. Ik weet ook nog, dat moeder, toen onze bezoeker weg was, dadelijk vroeg: „Hoe kom je er toe, om dat aan te nemen?” En dat m’n vader antwoordde: „Ja, voor m’n plezier doe ik ’et waarachtig niet, maar-i is altijd nogal aardig geweest voor Hans”.

The book keeps going

Keep reading, and see it illustrated

Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.

Illustrated scene from FrankensteinIllustrated scene from The Great GatsbyIllustrated scene from Pride and Prejudice

Scenes Storieta drew for other classics.

New illustrated classics

A new classic, drawn, in your inbox.

Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.