
Public-domain ebook
Indische menschen in Holland: Oorspronkelijke roman
by P. A. Daum
Language: nl409 downloads on Project Gutenberg
Subjects
In: Novels
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #68993.

Public-domain ebook
by P. A. Daum
Language: nl409 downloads on Project Gutenberg
Subjects
In: Novels
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #68993.
The opening · free to read
DOOR MAURITS.
LEIDEN.—A. W. SIJTHOFF.
INDISCHE MENSCHEN IN HOLLAND.
’t Was nog niet ver in het najaar, maar toch reeds vinnig koud. In de nieuwe wijken van Den Haag, te zamen grooter dan de oude stad, scheen het guurder dan elders; eentoniger en stiller was het er zeker, vooral in de straat, waar kapitein Roos met zijn talrijk gezin een bovenhuis had gehuurd. Wie dien dag den hoek om kwam, kreeg van den scherpen noordoostenwind de volle laag en zijn deel van het voor den sterken luchtstroom opstuivend zand, dat de pas gelegde bestrating bedekte.
De twee lange rijen huizen stonden, op enkele uitzonderingen na, nog leeg. Één lijn vormden de lijsten der dakgoten aan weerskanten, één lijn de architraven, één lijn de rollagen der trottoirs. De net gemetselde roode baksteenen van het weinige en dunne muurvlak tusschen deuren en vensters waren opgebleekt onder den drogen, kouden wind, die door de reten gierde, het te versche hout der paneelen deed krimpen en scheuren, of spleten trok in de voegen, waarvan ’t laagje verf week met een knal. Het was een mislukte bouwspeculatie, die geheele straat, gelijk er zooveel waren. De huren waren laag, maar toch wilde niemand er wonen voorshands, en slechts hier en daar zag men een armzalig winkeltje in een der benedenhuizen genesteld, met een mageren inventaris, die een parodie leek op de huisdeur à jour en den porseleinen schelknop.
En over die nare ongezellige straat hing een effen grijze lucht, met geen kans om een zonnestraaltje door te laten, in de talrijke vensters zonder gordijnen zijn grauwe tinten weerspiegelend.
Kapitein Roos trok zijn handschoenen aan en nam zijn stok. Hij ging uit, elken dag en elken avond; hij was bijna niet meer thuis dan om te eten en te slapen. Zijn woning trok hem niet aan en aantrekkelijks was er ook bitter weinig. Twee jaren hadden ze geleefd van hun verlofstraktement en ingeteerd van hun Indischen spaarpot; toen was de tijd gekomen, dat hij gepensionneerd werd, en nu was van de laatste dubbeltjes, die zij in Indië zoo zuinig hadden bijeengebracht, nog maar een kleine som over; zij zagen den dag naderen, dat zij den bodem zouden zien van hun trommeltje; mevrouw Roos had het kunnen uitrekenen op haar vingers, maar dat wilde ze niet, en de kapitein deed het evenmin. Zij vonden het zóó onaangenaam, dat ze er zelfs niet samen over spraken. ’t Meubilair hunner woning was even troosteloos als de straat; het zag er kaal en slordig uit; bij de kachel, die reeds brandde, waardoor het benauwd warm was in de huishoudkamer, zat mevrouw Roos gewikkeld in een rood en zwart geruite wollen sjaal, met de armen kouwelijk over elkaar en toch half stikkend uit gebrek aan versche lucht.
„Nu, bonjour,” zei de kapitein. „Tot straks. Dag jongens!”
Zij bromde iets, dat een groet moest beduiden; de kinderen, die voor het venster zaten, keerden even met een: „Dag pa!” de donkere hoofdjes om, en drukten toen weer dadelijk hun reeds platte Indische neusjes totaal plat tegen de ruiten, waarover zij ademden, om daarna, als de wasem op het glas neersloeg, er met hun kleine koude vingers groteske soldaatjes op te teekenen. Zij waren nog niet gewasschen; ze kregen genoeg te eten, maar ze werden toch slecht verzorgd, geheel overgelaten als ze waren aan een dienstmeisje, dat, steeds in een vieze jurk gekleed en met meer gekapte dan gekamde haren, zoowat den baas speelde in huis, en niet meer of minder deed, dan ze zelve verkoos.
Van een knappe Indische huismoeder, was mevrouw Roos een Hollandsche huismoeder geworden van treurig allooi. Zij had als ’t ware een heimwee naar Indië. Terwijl ze zoo huiverend bij de kachel zat en met een onaangenaam koortsig gevoel de grauwe zandwolken zag opstuiven in ’t grauwe najaarslicht, dacht ze aan niets dan aan Indië; aan den warmen, gouden zonneschijn, aan den rijken, diepgroenen plantengroei, aan haar gezellige achtergalerij. God, God! als ze naging, dat ze dat nimmer zou terugzien, dan wilde ze maar liever spoedig sterven!
Op straat zette hij er, zooals hij ’t noemde, den pas in. ’t Hoofd meer dan rechtop, een gewoonte gebleven uit den tijd der stropdassen, en met den stok zwaaiend stapte hij naar den „Dierentuin”; daar kwamen ’s morgens eenige oud-gasten van zijn „kaliber” bijeen en dan maakten ze een partijtje. Er kwam niemand anders. Geen Hagenaar, lid van den Tuin, zou het ooit in ’t hoofd krijgen in dit vergevorderd seizoen en op zulk een uur van den dag in ’t lokaal van dien Tuin te gaan zitten. Maar dat maakte het nu juist voor hen zoo aantrekkelijk. ’t Was fatsoenlijk, en ze konden er hun bittertjes drinken als in Indië „voor de rijsttafel”, zonder dat iemand hen aanzag voor dronkaards, omdat ze reeds in den ochtend sterken drank gebruikten. Hij wist wel, dat hij met zijn groot gezin en zijn pensioen die leefwijze op den duur niet zou kunnen volhouden, maar daaraan wilde hij voorshands niet denken. Kwamen die tijden, dan kwamen die plagen; als het zóó ver was, dacht hij, dan zou hij wel eens omzien naar een baantje, dat hij er gemakkelijk bij—wáárbij wist hij eigenlijk niet, maar hij bedoelde zijn pensioen—kon waarnemen. En zoo ging hij ook nu welgemoed naar den Tuin; de wind was koud, en hij droeg nog maar een dichtgeknoopte zwarte jas, maar dat hinderde hem niet, want, placht hij te zeggen, stoffend op zijn krachtige persoonlijkheid, „zoo’n ouwe soldatenransel” moest overal tegen kunnen. Hij vond het zoo kwaad niet, dat leven in Holland, en hij had het pleizierig gevonden als ’t zijn vrouw ook was bevallen. Zij was erg veranderd, en dat hinderde hem; zij was niet meer voor hem, wat ze zooveel jaren geweest was, en al werd hij nu een dagje ouder,—het verdroot hem toch. Welzeker, hij had ingezien dat het heel iets anders is kapitein te zijn bij het Indisch leger in actieven dienst in Indië dan in Holland gepensionneerd kapitein van hetzelfde leger te heeten. Dan, zoo is de wereld, dacht hij, en men moest dat nemen zooals het was; zijn vrouw moest zich schikken naar de omstandigheden.
Keetje en Pietje,—neen, zoo heetten ze sedert lang niet meer, de twee oudste dochters, die ondanks ze nu reeds vijftien en zestien jaren oud waren, nog in de hoogste klasse zaten van de meisjesschool voor gewoon lager onderwijs; ze heeten nu Corrie en Nelly, zooals Haagsche meisjes, ’t zij par droit de naissance of par droit de conquête, betaamt.
O, die konden het best stellen, als de jongens van de burger- en andere scholen het haar niet zoo lastig maakten op den duur. Toen ze pas op school kwamen, moesten ze in een lage klasse met veel jonger meisjes, in wier blonde, bleeke hoofdjes reeds meer schoolwijsheid stak dan in haar arme bruine kopjes, en die met een zeker air naar de ontwikkelde bustes keken van de „Oostersche nieuwelingen” alsof er persoonlijke schande stak in zulk een vroegtijdige physieke ontwikkeling, en diezelfde Haagsche meisjes vonden onder elkaar, dat Corrie en Nelly er met haar breede neuzen en krachtig gebouwde figuren net uitzagen als bruin gebraden, aangekleede dienstmeisjes; maar het mannelijk deel der schooljeugd dacht daar heel anders over en ontwikkelde een profusie van kalverliefde, erg hinderlijk voor de donkere zusjes, en alleen gecompenseerd door een regen van geschenken aan potlooden, papeteries, ulevellen en chocolaadjes. Zij leidden met haar beiden een vroolijk leventje, zich weinig bekommerend om de rest of om de toekomst, en als ze met haar lederen schooltasschen aan de hand, en in haar strak gespannen met astrakan afgezette manteltjes van school huiswaarts keerden, met moeite ontsnapt aan de overal wachtende en loerende kus- en knijplievende jongens, en gierend van pret, dan stond menig eigenaar van een perkamenten tronie stil, en zag met innig welbehagen dat tweetal donkere meisjes na, in de volheid harer vormen, met de rozen op het gezicht, een glinsterend licht in de guitige zwarte oogen, en twee rijen prachtige tandjes tusschen de lachende, kersroode lippen.
Voor haar huis drukten zij met kracht en aanhoudend op den schelknop, tot de meid boven aan het touw trok en de deur openging. Stampend op de houten met geen loopers bedekte treden der trap, stoven zij met groot geraas, lachend en zingend naar boven; de kleintjes juichten haar te gemoet; bij de halve ellende van het huishouden en de heele van haar moeder, vormden zij het rumoerig element van het frisch ontluikende jonge leven; het eenige opwekkende, dat de doorgaans gedrukte stemming in de woning van kapitein Roos verlevendigde.
Dien middag hadden zij vrij van school, en zij plaagden haar moeder zoolang tot ze er in toestemde zich te kleeden en te gaan wandelen. Mevrouw Roos had er eigenlijk eerst geen lust in, maar ze deed het om de kinderen, en toen ze eenmaal in de drukke straten wandelde, stilstaand om de tien schreden en luisterend naar het gesnap der meisjes, och, toen vermaakte het haar toch zelve wel, al het moois te bewonderen, achter de vensters der winkels en magazijnen uitgestald. En naar haar Indische opvatting zoo goedkoop! Zóó goedkoop, dat ze, ondanks haar geringe middelen, altijd hier of daar binnenging, en nooit thuis terugkwam zonder eenige guldens minder in haar portemonnaie en eenige noodelooze kleinigheden meer in haar bezit. Maar er was ook veel, dat haar hinderde op straat en haar bloed deed koken van verontwaardiging. Hoeveel Indische dames kruiste ze niet in die volle straten, evenals zij, wandelend om te zien, maar ook, niet gelijk zij, om gezien te worden! Zij zag er daaronder, die ze gekend had toen ze nog kinderen waren; anderen, die haar buren waren geweest; zij zag er, die, gezegend door de fortuin, ’t zij door een huwelijk, ’t zij door snelle bevordering van een vader of echtgenoot, in de gelegenheid waren zich prachtig te kleeden en te rijden in equipages. En daarbij waren er, die deden of zij de eenvoudig gekleede vrouw van den gepensionneerden kapitein en haar dochtertjes nooit te voren hadden gezien; anderen, die haar groetten uit de hoogte op een haast beleedigende manier met een genadig knikje. Dan was mevrouw Roos voor een oogenblik weer de kloeke vrouw van vroeger; ze richtte het hoofd op, glimlachte even en keek met haar groote zwarte oogen zoo inlandsch minachtend, dat zij, wien het gold, zich haastten voorbij te komen.
„Dag Jeanne, hoe maak jij het?”
Verrast, haast verschrikt, wendde mevrouw Roos ’t hoofd om.
„Hé, dag Julie, hoe gaat het?”
Ze gaven elkaar de hand en ze kusten elkaar. Nette Haagsche menschen vonden die demonstratie op het trottoir van een der hoofdstraten hoogst onfatsoenlijk; die Indische lui geneerden zich ook nergens voor! En een Haagsche straatjongen, blijkbaar ook in zijn fatsoen getast, riep luidkeels „pakt-em!”—De dames Roos en Van Stralen letten daar niet op. Ze waren zulke goede oude vriendinnen, en ze hadden elkaar in zoo lang niet gezien! Toen Roos nog luitenant was, diende Van Stralen reeds als oud kapitein, en van toen dagteekende de vriendschap der dames, die echter, hoe hartelijk zij zich ook liet vernieuwen, nu men elkaar weer persoonlijk zag, zich nooit in briefwisseling had voortgezet.
The book keeps going
Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.



Scenes Storieta drew for other classics.
New illustrated classics
Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.