
Public-domain ebook
Lord Lister No. 0375: Amor en Mercurius
by Matull, Kurt; Blankensee, Theo von; Hageman, Felix
Dutch449 downloads on Project GutenbergDownload EPUB
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #69041.

Public-domain ebook
by Matull, Kurt; Blankensee, Theo von; Hageman, Felix
Dutch449 downloads on Project GutenbergDownload EPUB
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #69041.
The opening · free to read
In de Cromwellstreet, een der voornaamste zijstraten van de Oxfordstreet, bevindt zich, niet ver van laatstgenoemde straat verwijderd, een vrij groote winkel, niet lang geleden gebouwd, en volgens de laatste eischen ingericht.
Het is de kunstzaak van den heer Jozua Drebbel.
Het scheen hem naar den vleeze te gaan, want hij had zich sedert eenigen tijd een prachtige, groote auto aan kunnen schaffen en zijn klantental had hij voortdurend zien toenemen.
De booze wereld zeide weliswaar, dat hij zijn begunstigers vooral zocht en ook vond, onder de zoogenaamde nieuwe rijken, maar van deze betichting trok de heer Drebbel zich al bitter weinig aan.
Hij was een man, die met zijn tijd medeging en hij verkocht, waarom het publiek vroeg, en voor de rest basta.
Hij had zich nimmer opgehouden met de bezwaarlijke en ondankbare taak, leiding te geven aan den smaak van het publiek en hij had daarentegen een open oog voor de verandering der mode, op het gebied der schilderkunst, en voor de kansen, aan deze kunstrichting meer te verdienen dan aan gene.
Achtereenvolgens had de heer Drebbel zijn aandacht geschonken aan de naturalisten, aan de impressionisten, aan de realisten, aan de luministen, aan de futuristen en de cubisten en zelfs de romantisten, die toendertijd juist weder op den voorgrond traden.
Geen kunstrichting kon zoo buitensporig zijn, of de heer Drebbel had er zijn specimen van in voorraad, teneinde den komenden en den gaanden man te gerieven, die lust mocht gevoelen en karaktersterkte genoeg bezat, om de wanden van zijn kamer te vullen met de afschuwelijke producten van gedegenereerde verfknoeiers.
Het was op een morgen van een prachtigen herfstdag, toen er voor de deur van het fraaie winkelhuis, dat slechts een betrekkelijk klein raam aan de straat had, een groote blauw gelakte limousine stil hield.
Nauwelijks had een van de bedienden dit voertuig gezien of hij snelde naar de deur om deze open te houden.
Want dit veel belovende jongemensch had de auto herkend, hij wist dat zij toebehoorde aan een van de rijkste en zonderlingste mannen van Londen, Lord William Aberdeen, die bij duizenden bekend was wegens zijn uitgestrekte bezittingen, en zijn menschlievendheid, die hem ieder jaar honderdduizenden kostte.
Zijn Lordschap kwam nog al vaak den winkel van den heer Drebbel binnen, teneinde zich persoonlijk te vergewissen, of zich daar iets van zijn gading bevond.
En de kunsthandelaar kon er dan zijn gemak van nemen, en behoefde zich volstrekt geen moeite te geven, zijn waar aan te prijzen, want Lord Aberdeen schoof hem telkenmale met een flauw glimlachje ter zijde en vertrouwde liever op zijn eigen oordeel.
Menigmaal ging hij weder heen zooals hij gekomen was, maar toch kocht hij ook wel eens een of ander doek en betaalde den gevraagden prijs zonder ook maar een penny af te dingen.
De winkelbediende was reeds weer op het portier toegesneld en opende het buigend, zonder den reusachtigen chauffeur, die achter het stuurwiel zat, gelegenheid te geven, dit gebaar te verrichten.
Uit de auto stapte een man, eenvoudig en toch met verfijnden smaak gekleed en wiens leeftijd niet nauwkeurig was aan te geven.
Zijn haar was aan de slapen lichtelijk begonnen te grijzen maar daarentegen was zijn gang zoo veerkrachtig als van een jongeling, en zijn grijze oogen hadden een helderen glans.
Het gelaat toonde krachtige, scherpbesneden trekken die op groote wilskracht en ondernemingsgeest wezen, maar soms gleed er een uitdrukking van diepe zwaarmoedigheid over dat gelaat.
Lord Aberdeen knikte den winkelbediende even toe, sprak toen eenige woorden tot den reus achter het stuurwiel, en trad den kunsthandel binnen terwijl de auto weder wegreed.
Dadelijk kwam de heer Drebbel in persoon toeloopen.
Hij was een klein mannetje van omstreeks 60 jaar, smal en gebogen van rug met een glimmenden kalen schedel, en het gezicht van een bejaarden Duitscher, waarin de zwarte oogjes slim fonkelden.
Handenwrijvend stond hij stil voor den voordeeligen klant, die over hem heen keek naar de schilderijen, die aan de wanden waren opgehangen, of op den grond tegen den muur waren aangezet.
De groote, lange zaal werd uitstekend verlicht door een paar groote ramen, die op den tuin uitzagen, en door een lantaarn in het dak.
Lord Aberdeen wist echter, dat er zich nog meer tentoonstellingzalen in het huis bevonden, waar behalve schilderijen ook marmeren en bronzen beelden te zien waren.
Een gedeelte van een der wanden van de benedenzaal werd ingenomen door een monumentale kast met breede planken, waar de etsen zorgvuldig in groote portefeuilles werden bewaard.
Een breede en zeer lange tafel in het midden van het vertrek, waarvan het blad glimmend geboend was, diende om deze portefeuilles op te kunnen leggen.
Lord Aberdeen was langzaam op een der wanden toe getreden en begon de schilderijen die daar hingen met aandacht te beschouwen.
Drebbel begon ouder gewoonte hem op den voet te volgen, en hem verschillende doeken aan te prijzen.
Maar Lord Aberdeen wendde zich al om met de opmerking:
„Ik zou het mij zelf nooit vergeven hebben, waarde Drebbel, indien ik u al ware het slechts een seconde van uw kostbaren tijd afnam! Wat ik u bidden mag bemoei u niet met mij—wanneer ik iets goeds vind, zal ik u wel even laten roepen.”
Drebbel, hoewel een weinig in zijn wiek geschoten, wendde zich buigend af, onverdroten in zijn handen wrijvend.
Bijna op hetzelfde oogenblik werd de winkeldeur langzaam geopend, en heel bescheiden trad er een jongmensch binnen met een zwaar pak onder den arm.
Hij kon ongeveer 25 jaar zijn en hij had een intelligent gelaat, waarin twee donkere oogen schitterden, maar dat zeker wel gevulder had kunnen zijn, de wangen waren ingevallen en bleek.
In dichte krullen hing zijn blauwzwart haar over het hooge voorhoofd.
De jonge man was uiterst eenvoudig gekleed, en toch maakte hij dadelijk een zeer goeden indruk, door zijn vrijmoedigen oogopslag en zijn slanke gestalte, door zijn geheele wijze van optreden, en vooral door den warmen diepen klank van zijn stem, toen hij op beleefden toon vroeg:
„Zou ik een oogenblik met meneer Drebbel kunnen spreken?”
Lord Aberdeen wendde op het hooren van de stem nieuwsgierig het hoofd om, om den jongen man op te nemen.
Zijn Engelsch had een licht, maar volstrekt niet onaangenaam accent.
De winkelbediende nam den jongen man even vluchtig op en vroeg toen: „Wilt u meneer over zaken spreken?”
„Ja, ik wil hem een paar doeken toonen.”
The book keeps going
Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.



Scenes Storieta drew for other classics.
New illustrated classics
Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.