Storieta
English
Sign up

The opening · free to read

LORD LISTER GENAAMD RAFFLES DE GROOTE ONBEKENDE.

NO. 381: DE MISDAAD IN SUTHERLAND AVENUE.

DE MISDAAD IN SUTHERLAND AVENUE.

HOOFDSTUK I.

DE INBRAAK.

Het was omstreeks één uur in den nacht, toen twee deftig gekleede heeren uit een eerste klasse coupé stapten van den laatsten trein, die aan het Paddington station stopt.

Zij gingen haastig het station uit, staken het groote plein over, tot zij het Grand Junction Canal bereikten—de eenige gracht, welke het reusachtige Londen rijk is, en volgden den oever daarvan, tot dat zij Harrow Road bereikt hadden.

Het was op dezen breedsten verkeersweg in het hartje van het Londensche Westend nog tamelijk druk.

Er reden nog heel wat autobussen, en ook passeerden er veel huurauto’s.

Maar in de deftige Sutherland Avenue, die den zooeven genoemden verkeersweg verbindt met Maida Vale was bijna geen teeken van leven meer te bespeuren.

De Londenaar is toch al niet zoo bijzonder gesteld op laat naar bed gaan, in welk opzicht hij zeer verschilt van den Berlijner, en hier in het deftige Westen ging men zelden later dan ten hoogste half twaalf ter ruste.

De beide heeren, die slechts nu en dan een paar woorden met elkander wisselden, liepen de Sutherland Avenue in.

Zij schenen niet veel haast te hebben, want zij deden volstrekt geen moeite een huurauto te overmeesteren, maar wandelden kalm voort, alsof het midden op den dag was.

Het was reeds over half twee, toen zij de Shirland Road bereikten.

Van deze breede straat af is de Sutherland Avenue eigenlijk te beschouwen als een aaneenschakeling van afzonderlijk liggende villa’s en deftige heerenhuizen, die meerendeels omgeven zijn door een tamelijk grooten tuin.

De nacht was donker, en de maan had zich achter de wolken verborgen.

Het was bijna twee uur, toen de twee heeren eindelijk stilstonden op den hoek van een breede dwarsstraat.

Vandaar hadden zij het oog op een zeer fraai, blijkbaar nog niet lang geleden gebouwd huis in renaissance stijl, met breede vensters, en een groot terras, waarlangs men de huisdeur bereikte.

Tot dit terras gaf het breede klinkerpad toegang, hetwelk van het trottoir af door den voortuin naar het huis voerde.

De oudste der beide heeren, een man van een rijzige lichaamsgestalte, met een scherp gesneden gelaat, waarin twee doordringende grijze oogen op eigenaardige wijze schitterden, haalde zijn horloge te voorschijn, en zeide op zachten toon tot zijn metgezel, die heel wat jonger was, en wiens gelaat een bijna vrouwelijke zachtheid vertoonde, ofschoon er op dit oogenblik een vastberaden trek om zijn mond lag:

„Het is nu iets over tweeën, Charly—wij zullen voor de veiligheid nog een minuut of tien wachten, ofschoon ik eigenlijk niet geloof dat het noodig is!”

De man, die deze woorden gesproken had, was Lord Edward Lister, alias John Raffles, de Gentleman-Inbreker.

Het was reeds tamelijk lang geleden, sedert Raffles op een nachtelijken rooftocht was uitgegaan, en verschillende omstandigheden hadden hem daarvan teruggehouden.

Niet dat de Groote Onbekende door gewetenswroegingen hiervan was teruggehouden. Hij beschouwde zijn zonderling beroep zooal niet als gewettigd, dan toch zeker als gerechtvaardigd door de omstandigheden.

Hij erkende echter tevens, dat de maatschappij, zooals zij thans was ingericht, alle reden had om er anders over te denken, en daarom voerde hij reeds geruimen tijd een verbitterden strijd met de verdedigers van die maatschappij, waaronder hij in de eerste plaats de politie moest rekenen.

Raffles had reeds een tamelijk lange loopbaan achter den rug—maar in al die jaren was de politie van de Engelsche hoofdstad er nog slechts een paar malen in geslaagd zich van zijn persoon meester te maken, en nooit had zij er zich op kunnen beroemen, langer dan een paar uren van deze vreugde te genieten, want telkenmale was de Groote Onbekende er in geslaagd, zich te bevrijden op een wijze, welke zelfs den befaamden boeienkoning Houdini met bewondering en ontzag zou hebben vervuld.

Gedurende het laatste jaar was Scotland Yard echter al zeer ongelukkig geweest in haar pogingen, om zich van den Gentleman-Inbreker meester te maken, want met aalgladde behendigheid had Lord Edward Lister zich steeds aan haar grijpende hand weten te onttrekken, om met een spottenden glimlach om de dunne lippen weder naar een volgend avontuur te ijlen, nog gevaarlijker dan het vorige, en zich slechts bekommerend om dit eene doel: Zijn fortuin zoo groot mogelijk te maken, opdat hij er zooveel mogelijk onrecht mee zou kunnen herstellen.

Dat fortuin beheerde hij onder het mom van Lord William Aberdeen, die een schoon huis bewoonde in de Regentstreet, daarbij geholpen door zijn trouwen vriend Charly Brand, dezelfde jonge man, die thans naast hem stond en het fraaie huis in het oog hield, dat het doel was van hun nachtelijken tocht.

Raffles had zijn sigaret weggeworpen, en keek aandachtig naar het donkere huis, dat in een bed van groen te sluimeren leek.

Een der zijgevels, die naar de beide mannen was toegekeerd, werd zwak verlicht door het schijnsel van een straatlantaarn, die op eenigen afstand daar vandaan was geplaatst.

Het was hier zoo stil, dat men zelfs op zeer verren afstand de schreden van een patrouilleerend paar agenten kon hooren.

Voorbijgangers waren er in het geheel niet meer te zien, en slechts zeer zelden reed er een auto voorbij.

Maar plotseling voelde Charly Brand zich bij den arm grijpen en snel een paar schreden terugvoeren in de zijstraat.

„Wat is er?” vroeg hij op fluisterenden toon.

„Kijk eens goed naar den zijgevel van het huis van Harris—het laatste venster van hier gerekend, gelijkvloers.”

„Het is bijna niet te zien—het is zoo donker, en er staat struikgewas in den weg.”

„Kijk toch maar eens goed!” drong Raffles aan.

Charly spande zijn oogen zooveel mogelijk in, maar daar hij niet, evenals Raffles, de gave had, om als de katten in het donker te kunnen zien, zoo duurde het eenige oogenblikken, voor dat hij verbaasd en op ongeloovigen toon zeide:

„Voor den drommel—het raam wordt geopend, en er klauteren mannen naar buiten.”

„Zoo is het! En wel met groote overhaasting, zou ik zeggen, Charly. Ik geloof dat wij een verloren nacht zullen moeten boeken—er zijn kapers op de kust geweest! Het is jammer, maar verwonderlijk is het niet—vroeg of laat moest de groote rijkdom van den bankier Harris mijn collega’s wel aanlokken—en ook de omstandigheid, dat men zijn huis betrekkelijk gemakkelijk kan binnendringen.”

The book keeps going

Keep reading, and see it illustrated

Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.

Illustrated scene from Alice's Adventures in WonderlandIllustrated scene from The Adventures of Sherlock HolmesIllustrated scene from Frankenstein

Scenes Storieta drew for other classics.

New illustrated classics

A new classic, drawn, in your inbox.

Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.