Storieta
Sign up

The opening · free to read

Een Aanzienlijke Gast

De Londensche bladen, tenminste diegene welke door de deftige kringen gelezen worden, zoals de „Westminster Gazette,” „de Times” en „de Globe”, bevatten, op een morgen van een vroegen winterdag, in enkele regels het bericht, dat de Russische graaf Stanislaw Stijkof was afgestapt in het „Hotel Cecil”, aan het Strand en dat hij daar voorloopig eenigen tijd dacht te verblijven, in afwachting van de afwikkeling van eenige belangrijke zaken, welke hij in handen had gegeven van zijn Londenschen zaakgelastigde.

Hoe kort het berichtje ook geweest was, het was voor een aantal ijverige reporters toch voldoende geweest om op kondschap uit te gaan en eenige nadere bijzonderheden in te winnen aangaande den persoon van den Russischen graaf, van wien men nog maar alleen wist, dat hij zeer rijk was en er niet zonder moeite in was geslaagd, zich uit de handen der Bolsjewiki te bevrijden.

Toch scheen het niet zoo gemakkelijk te zijn, tot graaf Stijkof te worden toegelaten, want hij had reeds aanstonds, nadat hij zijn drie kamers in het dure hotel betrokken had, den uitdrukkelijken wensch te kennen gegeven, dat men hem met rust zou laten.

Dit kon echter geen beletsel zijn voor een ras-echten journalist, om een poging te ondernemen, den Rus aan het praten te krijgen, want hij zou zeker belangwekkende zaken te verhalen hebben over den toestand in Rusland, hetwelk hij pas kort geleden langs een zeer grooten omweg, dwars door China had weten te verlaten, ten koste van de grootste gevaren en na eenige malen op het punt te hebben gestaan door de Bolsjewiki te worden gegrepen en zonder vorm van proces te worden gefusilleerd.

De eerste reporters, die zich afzonderlijk kwamen aanmelden, werden dan ook meedoogenloos afgewezen door den particulieren secretaris van den graaf, Paul Biridef geheeten.

Dit was zeker iets buitengewoons in Londen en de reporters waren dan ook zeer verontwaardigd en gewaagden op hun redactiebureau spottenderwijze van „Russische toestanden”, „middeleeuwsche gebruiken”, „feodalisme” en andere afkeuringswaardige dingen.

Zij gaven den moed echter niet op, maar hernieuwden den stormloop, thans gezamenlijk.

En nu hadden zij meer succes, want ten slotte stemde graaf Stijkof er in toe een tiental vertegenwoordigers van de grootste bladen gezamenlijk te woord te staan.

Het was wel niet veel en deze Amerikaansche wijze van doen was niet naar den smaak van de Londensche journalisten, maar het was in ieder geval beter dan niets en iedere reporter zou immers zooveel hij verkoos het verhaal kunnen opsmukken zoo als zijn eigen fantasie het hem ingaf.

En zoo geschiedde het dan, dat de tien heeren, afgevaardigd door een aantal Londensche en een paar provinciale bladen, zich des morgens omstreeks elf uur bevonden in de groote ontvangkamer van het hotel, om aanstonds bij den graaf te worden toegelaten.

De heeren spraken fluisterend onder elkander en geeuwden ook nu en dan, want heel belangrijk was hun opdracht niet en zij konden wel ongeveer van te voren weten, wat hun zou worden verteld; de avonturen van graaf Stijkof zouden wel zeer weinig afwijken van die van alle andere rijke Russische edelen, die er in geslaagd waren, hun vaderland te verlaten, dat voor hen niets meer bood dan ellende en groote gevaren!

Op het laatste oogenblik werd de deur weder geopend en trad er, met driftige bewegingen, een bewegelijk heertje binnen, met een gouden lorgnet op den neus, hetwelk hij telkens opnieuw moest opzetten, daar zijn reukorgaan er niet op gemaakt scheen te zijn, met zulk een voorwerp te worden belast, overvloedig zwart haar, dat in artistieke lokken langs zijn wangen viel en een fijn zwart snorretje.

De reporters keken den binnenkomende tamelijk verwonderd aan, want geen hunner kende hem en zij wisten, dat deze ontvangkamer tijdelijk voor hen was gereserveerd, maar de heer, die zooeven was binnengetreden, hielp hen spoedig uit de onzekerheid, door met een sterk buitenlandsch accent en met diepe buiging te verklaren:

„Neem mij niet kwalijk, mijne heeren, dat ik mij ter elfder ure bij u kom voegen. Mijn naam is André Devinard en ik ben waarnemend correspondent van de „Figaro”, zoolang mijn collega Jumeau ongesteld is. Ik weet wel, dat de afspraak niet luidt, dat een buitenlandsche correspondent aan dit interview zou deelnemen, maar ik ken te goed uw bewondering voor journalistieke brutaliteit, om niet te hopen, dat gij mij deze indringerigheid zult vergeven! Het bloed kruipt waar het niet gaan kan en ik zou het mijzelf nooit vergeven hebben, wanneer ik geen poging in het werk had gesteld om graaf Stijkof te spreken te krijgen. Misschien zult gij mij tegenwerpen, dat ik hedenavond alles in kleuren en geuren in de tien bladen zou kunnen lezen, welke het groote voorrecht genieten, u onder hunne medewerkers te tellen, maar gij zoudt zelven geen ware journalisten zijn, als gij dit als motief zoudt aanvoeren, om mij de deur te kunnen wijzen. Bovendien zou ik dan misschien bijna een etmaal later komen met mijn verslag van het onderhoud dan andere Fransche bladen, die misschien wel een hunner afgevaardigden naar uw redactiebureau zenden, ten einde een proefje van uw artikel te bemachtigen en dat wil ik tot iederen prijs vermijden. Zelf zien, zelf hooren, zelf handelen, dat is van kindsbeen af mijn leuze geweest en ik heb mij daar altijd uitstekend bij bevonden, sedert het oogenblik, dat ik mijn eerste schreden zette op het wankele pad der journalistiek; ik wilde natuurlijk zeggen: dat ik mijn wankele schreden zette op het pad van de journalistiek, en ik wil nu niet van beginsels veranderen. Om kort te gaan, ik vraag u verlof mij bij u te mogen aansluiten, en ik weet zeker, dat gij mij dat verzoek niet zult weigeren. Ik behoef u zeker niet te zeggen, dat de „Figaro” behoort tot een der vooraanstaande bladen van Frankrijk, dat in de deftigste kringen gelezen wordt en het zou van mijn kant een ongehoord verzuim zijn, indien ik naliet, mijn lezers op de hoogte te brengen van de verrichtingen van een authentieken Russischen graaf!”

De Fransche journalist had dit alles snel achter elkaar afgerateld en geen van de verblufte Engelsche reporters had gelegenheid gehad, een enkele opmerking in dien woordenstroom in te lasschen.

En voor een der heeren iets kon zeggen, werd de deur geopend en trad Paul Biridef, de secretaris van graaf Stijkof binnen, die de heeren in zeer goed Engelsch verzocht, hem te willen volgen.

Van dat oogenblik af waren de Engelsche journalisten er alleen maar op bedacht, zich aanstonds een goed plaatsje te veroveren, wanneer zij bij den Russischen graaf werden toegelaten en niemand bekommerde zich meer om den Franschen correspondent, die hiervan gretig gebruik maakte, stilletjes in de achterhoede mee te sluipen, verheugd, dat zijn kleine krijgslist gelukt was, om zoo laat mogelijk ten tooneele te verschijnen, zoodat hij zich een langdurige uiteenzetting met zijn collega’s kon besparen.

Biridef, een nog zeer jong man, met een knap, echt Slavisch gelaat, donkere oogen en gitzwart haar, zeer correct gekleed, bracht de journalisten over een paar breede, met dikke loopers belegde trappen naar een fraaie kamer op de eerste verdieping, die uitzicht had op het Strand, waar het juist op dit oogenblik zeer druk was.

Zoodra alle heeren binnen waren gekomen en men alle stoelen had verzameld, die er in de kamer en de beide aangrenzende vertrekken stonden, zoodat zij konden plaats nemen, ging Biridef den graaf halen, die een oogenblik later binnen trad.

Graaf Stijkof was een rijzig man in de kracht van zijn leven en zeker nog geen vijftig jaar, met een breed energiek gelaat, stijf opeengeklemde lippen, dikke zwarte wenkbrauwen en doordringende oogen, die van groote wilskracht en stoutmoedigheid getuigden.

Op den eersten oogopslag werd het den reporters duidelijk, dat Stijkof er inderdaad uitzag als de man, die in staat was ongehoorde moeilijkheden het hoofd te bieden, wanneer het de bereiking van zijn doel betrof, in dit geval de vlucht uit Rusland, dat voor hem een hel was geworden.

Het zwarte haar, slechts weinig met grijs doormengd, was zeer kort geknipt, en daalde in een punt op het lage, maar goed gevormde voorhoofd neder.

Eigenaardig waren de zeer groote ooren, die zeer ver van het hoofd af stonden en het bepaald mismaakten.

Het krachtige lichaam was gestoken in een grijs wandelcostuum, waarschijnlijk door een Weenschen coupeur vervaardigd, naar den snit te oordeelen, en waarvoor de graaf zeker wel een tienduizend kronen had moeten neertellen.

Hij bleef even op den drempel van de tusschendeur staan, waardoor hij was binnengetreden, monsterde de heeren met een snellen blik, noodigde met een kort gebaar uit weder plaats te nemen, daar zij zich allen van hun stoelen hadden verheven, en nam toen zelf plaats in een gemakkelijken leunstoel en wenkte zijn secretaris aan zijn zijde.

Op zachten toon zei hij in het Russisch eenige woorden tot hem en daarop trad Biridef op een kleine tafel toe, nam er een palissanderhouten kistje af, gevuld met geurige sigaren en presenteerde daarvan aan de reporters, die reeds hun blocnotes en vulpenhouders te voorschijn hadden gehaald.

Biridef zette het kistje sigaren weder weg en ging toen rond met een zilveren kandelaar, waarin een roode waskaars stond te branden.

Dit alles geschiedde zwijgend en het leek wel een onderdeel te zijn van een soort plechtigheid.

Pas toen de eerste rookwolkjes de lucht inkronkelden begon Stijkof in goed Engelsch, maar met een zeer sterk Russisch accent:

„Ik heb u thans gelegenheid gegeven, mijne heeren, mij enkele vragen te stellen, maar ik verzoek u dringend het niet te lang te maken, want ik word op dit oogenblik niet gaarne herinnerd aan mijn vaderland, zooals ge te beter zult begrijpen, als ik u zeg, dat ik daarginds mijn vrouw en kind heb verloren en niet weet of zij in het land der levenden verkeeren of niet. De Bolsjewiki hebben ons van elkander gescheiden en slechts het grootste van alle toevallen zou ons weder bij elkander kunnen brengen.”

James Brain, de verslaggever van de „Times”, een groote, zwaar gebouwde man van een jaar of zestig met spierwit haar en een gladgeschoren gelaat, hetwelk een weinig aan dat van Gladstone herinnerde, en die als het ware de woordvoerder van het troepje was, zeide hierop:

„Wij willen volstrekt niet onbescheiden zijn, graaf, maar het zou ons toch zeer veel genoegen doen, wanneer gij ons een kort verhaal wilde doen van uw wedervaren, te beginnen van het oogenblik, waarop gij gedwongen waart uw bezittingen te verlaten.”

Stijkof haalde even de schouders op en antwoordde:

„Ik vrees, dat mijn verhaal slechts weinig zal afwijken van alle andere relazen, die betrekking hebben op den vreeselijken toestand van den adel in Rusland, mijnheer. Maar ik wil u toch wel mededeelen, hoe het mij gegaan is.”

Elf vulpenhouders werden tot schrijven gereed gehouden en elf paar oogen staarden den graaf vol verwachting aan.

En Stijkof begon te verhalen.

Hij deelde mede, hoe de Novemberrevolutie hem als het ware verrast had op zijn landgoed, waar hij juist eenige dagen met verlof doorbracht, daar hij aan het front licht gewond was, maar hoe hij toch nog den tijd had gevonden langs een grooten omweg het grootste gedeelte van zijn effecten, juweelen en andere gemakkelijk vervoerbare bezittingen naar Londen in veiligheid te doen brengen.

The book keeps going

Keep reading, and see it illustrated

Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.

Illustrated scene from Pride and PrejudiceIllustrated scene from Alice's Adventures in WonderlandIllustrated scene from The Adventures of Sherlock Holmes

Scenes Storieta drew for other classics.

New illustrated classics

A new classic, drawn, in your inbox.

Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.