LORD LISTER GENAAMD RAFFLES DE GROOTE ONBEKENDE.
NO. 18 HET GEHEIM DER VERMINKTE KINDEREN.
HET GEHEIM VAN DE VERMINKTE KINDEREN.
EERSTE HOOFDSTUK.
DE MISLUKTE INBRAAK.
„Ik zou wel eens willen weten,” zei lord Lister tegen zijn vriend Charly Brand, „waar de millioenen van den heer Pigott vandaan komen. Ik herinner mij niet, dat de man ooit de een of andere zaak heeft gedreven. Ook hoorde ik nooit, dat hij uit Indië of Afrika een rijke erfenis heeft gekregen. Hij komt niet aan de Beurs, is ongetrouwd en heeft in de tien jaren, dat ik hem ken, niets anders uitgevoerd dan goed te eten, te drinken en te wonen. De een of andere sport of andere bezigheid, waarmee hij z’n tijd doodt, kent hij niet. Ik moet dat geheim toch zien te doorgronden.”
Lord Lister zat, terwijl hij deze woorden sprak, in een makkelijken fauteuil voor den schoorsteen van zijn huis in Londen.
In deze woning bracht John Raffles, de Groote Onbekende, zijn vacantie door. Hij had het huis gestoffeerd met allerlei kunstschatten uit vele landen en er was wellicht geen tweede persoon te vinden, wiens woning zoo weelderig was ingericht als die van lord Lister.
De vensters aan den voorkant der straat van Regent-Park waren dicht gesloten en alleen het gedeelte waar onder in het gebouw de oude vertrouwde bediende woonde, toonde aan, dat het huis bewoond was.
Aan den achterkant lag een klein, keurig aangelegd park en hier waren alle vensters geopend om de milde winterlucht te laten binnenkomen. Van af het balkon kon Raffles de villa van Pigott zien; het huis schemerde ter linkerzijde door de boomen.
Charly Brand, de secretaris van lord Lister, had zijn lectuur gestaakt en opmerkzaam geluisterd naar wat hem zijn vriend en meester vertelde. Hij keek eens naar het huis en antwoordde:
„Ik geloof, Edward, dat de meeste menschen, die hier in Regent-Park in vorstelijke woningen huizen, hun vermogen op vreemde wijze verworven hebben.”
„Ongetwijfeld,” antwoordde Raffles. „Maar deze Pigott boezemt mij bijzonder veel belang in; ik zal hem daarom eens een bezoek gaan brengen, want ik kan mijn nieuwsgierigheid niet meer bedwingen, ’t Is nu vijf uur, we zullen nog een uurtje wachten, en zoodra het heelemaal donker is, eens de woning van den millionnair wat nader gaan beschouwen.”
Het liep tegen zeven uur, toen Raffles op weg toog met Charly Brand. Beiden waren hoogst eenvoudig gekleed, terwijl ze hun gelaat vermomd hadden. Zonder de minste moeite sprongen ze over het hek, dat het grondgebied van Pigott scheidde van dat van Raffles.
Ook de villa van Pigott lag in een parkachtig aangelegden tuin, die echter dubbel zoo groot was als de tuin van Raffles. Voorzichtig slopen zij door de bosschages, terwijl de Groote Onbekende naar alle kanten loerde. Een breede trap leidde uit het park naar een groote veranda, die gedeeltelijk door een marquise gesloten was. Daardoor kon John Raffles niet zien of er zich iemand in de serre bevond. Een oogenblik bleef het tweetal staan, en dat was heel verstandig, want een bediende kwam de serre binnen en zette een schemerlamp met rose zijden kap op een tafeltje neer, waarna hij weer heenging. Uit het huis weerklonken stemmen, doch niemand verscheen.
Bijna twee uur lagen Raffles en Charly Brand op de loer, totdat de bediende weer kwam en de lamp meenam. Ergens in de buurt sloeg een klok tien uur en de villa was nu in volledige duisternis gehuld.
„Vooruit,” fluisterde John Raffles, „laat ons nu de veranda binnensluipen.”
Als katten kropen zij de trap op. Daar stiet Charly Brand tegen een tafeltje, waardoor eenig gedruisch ontstond. Lord Lister bleef een oogenblik onbeweeglijk staan en stiet fluisterend een vloek uit, toen plotseling door iemand het electrische licht in de veranda werd opgedraaid en drie mannen met revolvers in de hand op den secretaris toesprongen.
De Groote Onbekende overzag oogenblikkelijk den geheelen toestand. Hij stond in een vensternis van de veranda, waar de mannen hem niet dadelijk ontdekken konden.
„Vervloekte schelm!” schreeuwde Pigott, terwijl hij den indringer een revolver onder den neus duwde, „ik heb je al beloerd, toen je twee uur geleden mijn park bent binnengeslopen. Je kunt mij niet voor den gek houden. Knevelt hem en roept de politie. Doe hem ook het masker voor het gezicht weg.”
Charly Brand weerde zich als een wanhopige, maar het hielp hem niets. Tien minuten later was hij stevig gebonden.
„Waar is je medeplichtige? Spreek op, jullie waart toch met je beiden?”
Charly beet zich op de lippen.
„Legt de schurk ergens in een hoek neer en laat ons dadelijk zijn maat opzoeken, misschien vinden we hem nog,” riep Pigott vol ijver uit, toen Charly hem niet antwoordde. „Wacht maar, kereltje, jou zal de lust wel vergaan om hier nog eens in te breken. Brengt hem in huis.”
De beide bedienden deden, wat hun bevolen werd en sleurden Charly, die zich opnieuw verdedigde, het huis binnen.
De millionnair vond er bij deze gelegenheid het grootste genoegen in om den weerlooze onophoudelijk in den rug te stompen. Charly werd naar de studeerkamer gebracht en daar op het tapijt neergelegd, terwijl Pigott opnieuw beval een politieagent te halen.
In hetzelfde oogenblik hoorde Charly Brand plotseling een zonderling geluid. Hij lag met het rechteroor dicht op het tapijt en daardoor drongen wonderlijke klanken tot hem door. Het was, alsof kleine kinderen, die erge pijn hadden, schreiden. De secretaris spande zich in om goed te kunnen hooren. Hij vergat geheel en al zijn hachelijke positie en deed alle moeite om te vernemen, waar de geluiden vandaan kwamen.
Eerst dacht hij, dat het katten of honden waren, maar toen hoorde hij door het tapijt heen de heesche stem van een vrouw, die met een vloed van scheldwoorden het schreien overstemde.
„Ellendige schooiers, leelijke schreeuwbek, miserabele kattekop!”
Charly Brand dacht eerst, dat de kinderen van den millionnair zoo schreiden, maar dat was onmogelijk.
Terwijl de secretaris over het geheim nadacht, was een der bedienden voor het huis gegaan, waar hij een surveilleerenden politie-agent aanriep om een in huis verborgen inbreker te arresteeren. Toen de politieagent binnentrad, kwam Pigott hem reeds tegemoet en zei, op Charly Brand wijzend:
„Die man daar wilde Raffles nadoen, maar wij hebben het hem belet. Neemt hem mee naar Scotland Yard, opdat hij daar zijn rechtmatige straf zal ondergaan.”
„Allright,” antwoordde de politiedienaar, die op Brand toetrad en hem een duw in de ribben gaf.
„Sta op!” beval hij, „ik zal je een armbandje omdoen, want van zoo’n schat als jij bent moet men zich goed verzekeren.”
Hij haalde een paar boeien te voorschijn en sloot ze om Charly’s polsen.
„Ja, ja,” lachte Pigott en hij duwde den secretaris een diamanten ring onder den neus, „kan ik je misschien ook met zoo’n steentje dienen?”
„Vooruit!” beval de agent en stiet den geboeide voor zich uit, waarmee hij het huis verliet.
Het was intusschen nacht geworden, maar de geboeide bemerkte toch, dat de agent hem niet stadwaarts, maar naar den kant van het park leidde. En nog meer verbaasde hij zich, toen de agent voor het huis van John Raffles bleef staan, haastig omkeek, naar beide kanten, een sleutel te voorschijn haalde, de deur opende en Brand naar binnen duwde. Hij zelf trad nu ook binnen en sloot de deur achter zich.
Charly Brand wist niet, wat hij van deze geschiedenis moest zeggen. Zijn verbazing steeg nog meer, toen de agent naar de studeerkamer van zijn vriend ging en dit helder verlichte vertrek opende.
In hetzelfde oogenblik hoorde Charly de lachende stem van Lister, die uitriep: