LORD LISTER GENAAMD RAFFLES DE GROOTE ONBEKENDE.
NO. 21 ONDER DE PUINHOOPEN VAN MESSINA.
ONDER DE PUINHOOPEN VAN MESSINA.
EERSTE HOOFDSTUK.
EEN VRIEND IN HET ONGELUK.
Wie de beide mannen had gezien, die tegenover elkaar stonden in de gezellige studeerkamer van Lord Lister, had hen stellig voor een tweeling gehouden. Zij hadden bijna dezelfde lange, slanke gestalte en niet alleen hun gelaatstrekken geleken op elkaar, maar ook het haar en de snor. Toch was de een een Engelsche Lord, de ander een Siciliaansche markies uit Messina, de trouwe vriend van den eerste.
Een groot verschil lag echter in hun oogen. Die van den Engelschman hadden een uitdrukking van fierheid, levenslust en kracht, terwijl het gelaat van den aristocratischen Zuid-Italiaan sprak van droeve neerslachtigheid.
„Stel u gerust, mijn Beste markies Finori,” sprak Lord Lister, terwijl hij den beproefden vriend de hand drukte, „neem plaats en vertel mij meer over den plotselingen dood van uw hooggeachten vader. Wie had dat gedacht, toen hij nauwelijks een jaar geleden zoo vol kracht en gezondheid met ons den Etna besteeg! Ik kan nog bijna niet aan zijn dood gelooven!”
De jonge markies Finori had plaats genomen en drukte zijn batisten zakdoek tegen de oogen. Hij bedwong met moeite een luid snikken.
„Ach, Lister, het lijkt mij zelf bijna onmogelijk! Het verschrikkelijke echter is, dat ik zelf niets nadere omtrent het ongeluk weet dan dat volgens schrijven van de overheid van Messina mijn goede vader met zijn zeiljacht op de stormachtige zee is omgekomen.
„Men heeft de hem toebehoorende voorwerpen, zijn jas, verdere kleedingstukken en pet gevonden en het gehavende jacht werd bij Catania op het strand geworpen!”
„Wat? En zijn lijk is niet gevonden?” vroeg lord Lister in gespannen aandacht.
„Tot heden nog niet! Is dat niet verschrikkelijk? En bovendien denk eens, Lister, in opdracht der Siciliaansche Bank werd mij door den advocaat Lavici medegedeeld, dat het geld, ten bedrage van een millioen, dat daar was gedeponeerd, kort voor het ongeluk op een cheque van mijn vader teruggehaald is.
„De Bank is daardoor niet meer in staat mij mijn maandelijksche wissels uit te betalen. Nu heb ik kort voor de ontzettende ramp een brief ontvangen, geschreven met de hand van mijn vader, die mij verwijst naar een Siciliaansche waarzegster hier in Londen.”
„Verder, dat interesseert mij levendig!” riep Lister uit terwijl hij een sigarette aanstak en den markies het etui aanbood, wat deze echter weigerde.
„Ja, daar ik de vrijzinnigheid van mijn vader ken, verraste mij een dergelijke wensch buitengewoon.”
„En zijt ge daar reeds geweest markies?”
„Neen nog niet, beste vriend!”
„Zooveel te beter! Maar ga voort!”
„Bovendien verzocht mijn vader mij in dien brief, zoo spoedig mogelijk terug te keeren daar hij gewichtige familiezaken met mij te bespreken had. Verder is de daarin vermelde wissel van 5000 lire intusschen aangekomen. Ik zal dus over eenige dagen naar mijn vaderland teruggaan, maar als een geheel ander mensch! Hoe vreeselijk is dit alles! Dit verschrikkelijke ongeluk, dat als een bliksemstraal uit helderen hemel mij heeft getroffen, rooft mij bijna het verstand. Alles is zoo onwaarschijnlijk en toch valt er niet aan te twijfelen!
„Geef mij raad, help mij Lister! Gij zijt de eenige vriend die mijn volle vertrouwen geniet! Wat moet ik doen! Hoe moet ik het vreeselijke raadsel oplossen?!”
De markies wrong de handen, terwijl twee groote tranen langs zijn bleeke wangen rolden.
Lord Lister blies blauwe wolken uit zijn sigarette en dacht na. Daarop keek hij zijn vriend die zoo innig bedroefd was, vol medelijden aan en sprak:
„Alles wat ik kan doen, beste markies, zal ik, al was het alleen uit hoogachting voor uw edelen vader, in het werk stellen. Maar ik begrijp nog niet alles. In deze geheimzinnige zaak zijn vooral twee punten, die nog opgehelderd moeten worden: ten eerste de vreemde wensch van zulk een verstandigen ouden man als waarvoor ik uw vader heb leeren kennen, de wensch om bij een waarzegster de toekomst te vragen en ten tweede het gezamenlijke verdwijnen van—vergeef mij de uitdrukking—uw vader en het vermogen op de Bank!
„Het kan ook mogelijk zijn, dat de wensch van uw vader om de toekomst te willen weten zijn oorzaak vond in een voorgevoel, dat de oude heer had van het naderend ongeluk. Mag ik den brief misschien zien?”
De markies was kalmer geworden. Reeds het bewustzijn, een vriend aan zijn zijde te hebben, had hem getroost. Hij haalde den brief uit zijn zak te voorschijn en gaf hem aan Lister.
De jonge Lord las hem aandachtig door. Een oogenblik schitterden zijn oogen.
„Wat een prachtig, regelmatig handschrift had uw vader!” sprak hij.
„Ja, als hij het, zooals bij dezen brief het geval blijkbaar was, op zijn gemak deed! Anders schreef hij in den regel sneller en slordiger, mijn goede vader!”
Lister knikte veelbeteekenend.
„Het is een mooie, goed gestelde brief!” merkte hij op. „Ik zou den inhoud ervan graag nauwkeurig willen onthouden! O juist, daar staat dat over de waarzegster. Zoo een Siciliaansche! Zoudt u mij den brief misschien nog eenigen tijd willen toevertrouwen?”
„Zoo lang gij wilt, beste vriend! Ik ken dit laatste schrijven van mijn lieven vader woordelijk uit het hoofd!”
Lister stak den brief bij zich.
„Verberg mij uw gedachten niet, beste Lord,” smeekte de Siciliaan op levendigen toon. Hij merkte zeer goed, dat de jonge Lord het zijne dacht over den brief. „Spreek openhartig met mij! Deel mij uw gevolgtrekkingen mee en zeg mij, wat ik moet doen.”
„Mijn waarde Finori,” antwoordde de Lord, „ik wil uw hoop of vrees niet overhaast opwekken. Ik weet nog te weinig. Maar ik verzoek u, mij ten volle te vertrouwen, ook als ik mijn vermoedens nog voor mij houd!
„Had uw vader, zooals dat in bijna alle Italiaansche steden en in de meeste Italiaansche adellijke families voorkomt, vijanden?”
De markies hief verschrikt de hand op.
„Om Godswil, Lister! Gij wilt toch niet zeggen, dat mijn dierbare vader het slachtoffer van een moordenaar is geworden? O, in dat geval—”
„Ik weet nog niets, Finori! Blijf toch kalm! Ik zal mijn best doen, alles te weten te komen!
„Beloof mij, u niet te zullen opwinden, maar mij kalm en bedaard te antwoorden op de vragen, die ik u zal moeten stellen.”