Storieta
English
Sign up

The opening · free to read

Alfred Tennyson

DOOR S. J. VAN DEN BERGH BIJ HET NEDERLANDSCHE VOLK INGELEID DOOR J. J. L. TEN KATE.

2e Druk.

ARNHEM—YBE YBES.

INLEIDING.

Met een gevoel van diepen weemoed heb ik aan de nagedachtenis des dooden de kleine dienst trachten te doen, die ik gewoon was aan de vriendschap des levenden zoo blijmoedig te bewijzen. Nu wijlen mijn vriend van den Bergh toch was gewoon van elken dichtbundel, waarmede hij onze Letterkunde stond te verrijken, mij de laatste proeve ter inzage te zenden, die dan, soms met een vraagteeken of een variant hier en daar, niet zelden met een Bravo van sympathie in margine, tot hem wederkeerde. Kon het anders? Voor meer dan dertig jaren waren wij vrienden geworden; en schoon weldra de stroom des levens ons uit elkanders nabijheid voerde, zoodat de zoete gewoonte van een bijna dagelijksch verkeer sints lang tot de herinneringen onzer jeugd behoorde, toch bleef de oude toegenegenheid van weêrszijde onverminderd bestaan en bleven wij elkanders loopbaan, tot op den dag waarop de zijne zoo plotseling gesloten werd, met hartelijke belangstelling volgen.

Het past mij niet als van den Bergh’s lofredenaar op te treden: zijn naam is hem lofs genoeg. Dat het Vaderland in hem een zijner uitstekendste sieraden verliest, erkennen allen die een hart hebben voor ware verdiensten, allereerst die mede kunnen gaan in de richting, door dezen Dichter, uit den innigsten drang des geestes, gekozen en met zeldzame volharding tot den einde toe getrouw gebleven. Zij deelen de overtuiging, die hem bezielde en zich uitsprak in menig onvergetelijk Lied, dat het waarachtig Volksgeluk in nauw verband staat met de handhaving der Nationaliteit; en dat het geen vergeefsche arbeid is, waartoe de Dichter zich aangordt, als hij het Verledene aan zijn volk tracht voor te stellen als leerschool voor de Toekomst.

Van den Bergh, hoezeer aan zijne roeping getrouw, was daarom niet eenzijdig. Ook op menig ander gebied dan dat der Vaderlandsche Herinneringen of Opwekkingen, wist zijne Muze den weg te vinden of te banen, en de greep in »’t volle Menschenleven”—naar Göthe »altijd belangrijk”—was zijn meesterhand niet vreemd. Dat zal eerst recht blijken, wanneer zijn verstrooide bundels tot eene kompleete uitgave zullen worden verzameld, verrijkt met wat er onder zijne nagelaten poëzy uitstekendst voorhanden is.

Tot een proeve dier Nalatenschap moge de Henoch Arden strekken, die bij dezen het licht ziet. Wij bezitten van de pen van Erik’s Zanger een reeks van gelukkige vertalingen, waaronder naar Moore en Byron, die met de beste overzettingen kunnen wedijveren. Maar de kroon werd dezen zijnen arbeid opgezet door de vertolking van Tennyson’s meesterstuk, krachtig en toch zoetvloeiend, getrouw beide naar inhoud en vorm, als zij het oorspronkelijke terug geeft. Die »Visschers-Idylle”, zooals men haar genoemd heeft, vol eenvoud en diep gevoel, heeft in Engeland en Noord-Amerika een opgang gemaakt als misschien alleen met dien van »de Negerhut”, in der tijd, kan vergeleken worden; en de geestdrift, waarmede ook van den Bergh’s vertolking, bij de openlijke voordracht in verschillende Letterkundige Kringen van ons Vaderland, telkens werd aangehoord, bewijst te over, dat er voor dien bijval een zeer wezendlijke grond moet bestaan.

Het is hier de plaats niet om over Tennyson’s dichterlijke beteekenis uit te wijden; eene verwijzing, onder anderen, naar de studie van Taíne, in het vierde deel van zijne Histoire de la littérature anglaise, zij voor deze plaats voldoende, in afwachting van de uitvoerige beschouwing van van den Bergh’s vertolking, die wij van onze vaderlandsche kritiek mogen te gemoet zien. Maar de mededeeling van eene anekdote, die tot den Henoch Arden in nauw verband staat, ons onlangs door de periodieke pers verhaald, mag ik niet weigeren.

Zoo als men weet, is Koningin Victoria eene groote bewonderaarster van Tennyson’s poëzy. Daarom verwekte het haar een smartelijke verbazing toen zij vernam, dat er een gerucht rondging, dat Tennyson’s laatste gedicht, als eene apologie van het onwettige huwelijk, het brandmerk der onzedelijkheid wilde indrukken. De hooggeplaatste geestelijke, tot wien zij zich wendde, schudde bedenkelijk het hoofd; de adelijke dame, wier oordeel geraadpleegd werd, maar die, zoo als later bleek, op den man nog altijd de satyre des jongelings te wreken had, het origineel van de »Lady Vere de Vere”, om alles te zeggen, was nog strenger in haar vonnis. En zoo besloot dan de Koningin te eindigen met dat waarmede zij eigenlijk had moeten beginnen: den Dichter zelven om inlichting te vragen. Zij strekte dienzelfden middag haar wandelrid langs de kust wat verder dan gewoonlijk uit. Osborne ligt op tamelijken afstand van Tennyson’s woning, insgelijks op het eiland Wight, maar de wegen zijn er goed, en weldra schemerde de villa des Dichters door de groene denneboomen. Straks ging de Koningin aan des Dichters zijde langs de hooge westkust der blauwe zee, die van witte zeilen wemelde, en bracht het gesprek op het onderwerp dat haar voor ’t oogenblik het meest ter harte ging. Met fijnen takt wees zij op de vele schoonheden van het Gedicht, om zoo onmerkbaar den weg tot haar bezwaar te banen. Op eenmaal werd hun het pad versperd door een stapel rijshout, dat dwars over den weg lag. Een lief kind van tien of twaalf jaren, met blond haar en helder blauwe oogen, stond er bij, hoogstverlegen nu, dat zij niet vlugger te werk kon gaan bij ’t saambinden van den bundel, die het pad over ’t kerkhof belemmerde, juist nu de gewone weg door de laatste regens onbegaanbaar was gemaakt.

Tennyson hielp het meisjen met zijne gewone goedhartigheid; de Koningin gaf haar een geldstuk, en vroeg hoe zij heette? Zij heette Annie. »Wat allerliefst gezichtjen was dat”, zei de Koningin eenige oogenblikken later, het kind naoogende, dat moedig haar zware houtvracht torschte. »Mij dunkt, zóó zou uwe Annie Lee er uit hebben gezien, ik bedoel, in den tijd van hare kinderspelen met Henoch en Philip, toen zij, om hunne jaloezy tot bedaren te brengen, hen met tranen bad

»Om harentwil toch niet in twist te ontsteken, Daar zij van beiden ’t vrouwtjen wezen wou.”

—»Maar lees ik daar niet den naam van Henoch?” ging de Koningin voort, als zij in ’t voorbijgaan haren blik liet vallen op het inschrift van een der grauwbemoschte zerken, die ter wederszijde van het kerkhofpad lagen. »Ja, waarlijk, daar staat: »Henoch.” Hoe dikwerf heb ik vroeger op mijne wandelingen dien aartsvaderlijken naam met onverschilligheid tusschen anderen gelezen, en nu is hij mij zoo belangrijk geworden. Jammer”, voegde zij er bij, »dat uw Philip hier ook nog niet een naamgenoot heeft, dan zou de verdichting stellig ter wille van dit kerkhof in werkelijkheid veranderen, en dit lommerig plekjen onder den nootenboom zou als het tooneel waar zij plaats had, worden aangewezen. Wat hebt gij daarop te zeggen?”—»Zeer weinig, Uwe Majesteit”, was het antwoord.—»Hoe dat?”—»Omdat het mij innig smarten zou indien op het lieve kind van zoo even de smet eener onwettige geboorte kleven moest.”—»Wat heeft dit meisjen met uw gedicht uitstaande?”—»Zeer veel, Uwe Majesteit; want als de Bisschop van N. zijn wensch vervuld had gezien, zou de kleine Annie daar ginds de schande gedragen hebben, waarvan ik sprak.”—De Koningin bleef eensklaps staan. »Gij bedoelt toch niet dat hier op dit eilandtjen een drama als dat van uwen Henoch Arden zou zijn afgespeeld?”—En toen nu Tennyson op die vraag eenige oogenblikken het stilzwijgen bewaarde, ging zij voort: »O, ik weet, gij bewaart omtrent dergelijke dingen gaarne uw auteursgeheim; maar, waarde vriend, zeg mij, heeft Henoch Arden hier inderdaad geleefd? Ligt hij begraven onder dezen steen?”—»Koningin”, antwoordde Tennyson, »ook in de nederigste en armste standen der Maatschappij ontmoet men somtijds voorbeelden van heldenmoed en zielenadel, die de geschiedschrijver den stillen beschouwer van het volksleven zou kunnen benijden. Wel hem, die zulke voorbeelden op hunne waarde schat met een eenvoudig gemoed, dat niet angstvallig omziet naar het ontleedmes der kritiek. Wel hem, die ze in liederen kleeden mag, zonder zich te ver van de waarheid te verwijderen. Maar bovenal wel hem, dat dat Lied waardig is. Zijn nagedachtenis blijft een zegen!” Toen trad de Koningin over de graszoden naar dien lagen zerk, en leî hare hand op den bemoschten steen. Zwijgend stond zij een wijle, starende op de plek, waar de vermoeide strijder rustte. Eindelijk sprak zij, terwijl zij zich oprichtte: »Zacht drukke hem het lijkgesteente! Hij heeft toch recht gehandeld!”

En hiermede ga van den Bergh’s Henoch ter waereld in; hij vinde vele vrienden, die het herhalen: »Hij ruste zacht; en zacht ook ruste zijn tolk onder ons. Zijn aandenken ook blijft in zegen!”

J. J. L. TEN KATE.

HENOCH ARDEN.

De zee groef in de krijt-rots langs het strand Een breede kloof, gevuld met schuim en zand. Daar boven, om een kleine werf, verheft Een groepjen huizen ’t roode dak; dan treft Een kerkjen, half in puin gevallen, ’t oog, En, hooger nog, loopt steil een lange straat Tot aan een slanken molen naar omhoog. Daar achter, in zijn donkergrijs gewaad Tot in de lucht zich beurend, rijst een duin, Met Hunnegraven op zijn ranke kruin. Terwijl een lachend bosch van hazelaren, Waar in den herfst de stadsjeugd heen gaat spoên, Om zich een oogst van noten daar te garen, Het dal bekleedt, met schilderachtig groen.

Hier zag dit strand voor bijna honderd jaar, Drie kindren van drie huizen bij elkaâr. ’t Was Annie Lee, elks lust en moeders kroon, ’t Was Philip Ray, des mulders eenge zoon; En Henoch Arden, ’t visschers-knaapjen, reeds Na vaders schipbreuk jaar en dag een wees. Hier speelden zij te midden van al ’t geen Men vindt op d’ oever: netten, bruin geteerd, Gedraaide kabels, ankers groot en kleen, Soms half verroest en door den tijd verweerd. En schuit en boot, getrokken op het strand. Hier bouwden zij uit week en vochtig zand Kasteelen, en bespiedden hoe de golven Ze met haar witte kuiven overdolven, Of volgden en ontvluchtten dan met spoed De vlugge baar, die opkwam met den vloed. En lieten daar hun voetstap iedren dag, Dien iedre dag door ’t zeenat wisschen zag.

Een enge grot gaapte in de rots omlaag. De kindren speelden daarin altijd graag, En meestal „eigen woningen.” Van daag Was Henoch heer des huizes, Philip morgen, Daar Annie steeds als huisvrouw had te zorgen. Maar nu en dan wou Henoch heel een week Er meester zijn: „dit is mijn huis en zij „Mijn lief klein vrouwtjen.”—„Ze is het ook van mij,” Zei Philip dan, van stille gramschap bleek. „Elk om zijn beurt.” Maar als zij samen twistten, Won Henoch, vrij wat boutiger, ’t altijd, En dan riep Philip, ’t jeugdig bloed aan ’t gisten, En huilende van machtelooze spijt: „Ik haat u, Henoch!” en dan weende ook trouw ’t Klein vrouwtjen meê en eindde met te smeeken, Om harentwil toch niet in twist te ontsteken, Daar zij van beiden ’t vrouwtjen wezen wou.

Maar toen der kindschheid dageraad ging scheiden En de eertijds ongekende warmtegloed Van ’s levens rijzend zonlicht in ’t gemoed Door elk van hen gevoeld werd, vestten beiden Hun zinnen op dat ééne meisje alleen. En Henoch openbaarde haar zijn liefde; Maar Philip minde in stilte, en Annie scheen scheen— Wat menigmaal den jongling innig griefde— Veel vriendlijker voor Philip dan voor hem. Toch had ze Henoch lief, hoewel geen stem Daar binnen ’t zeide, en zij het had ontkend Aan wie het haar gevraagd had. Henoch hield Den blik steeds vaster naar één doel gewend, Te sparen wat hij sparen kon, bezield Door één gedachte: een eigen boot te koopen, Waarmeê hij zich zijn nooddruft winnen zou, En, Annie, ’t middelpunt van al zijn hopen, Te voeren naar zijn woning als zijn vrouw. De zegen kroonde zóó zijn onderwinden, Dat in het eind, zelfs mijlen langs de kust, Geen visschersman, zoo in ’t gevaar gerust Zoo stout en zoo gelukkig, was te vinden Als Henoch was. Ook werkte hij een jaar Aan boord eens koopvaardijschips, met het streven Alom, altoos te zijn van zessen klaar; En zelfs tot driemaal redde hij het leven Eens drenklings, met de branding aangedreven, En worstlend met de kenterende baar. Hij was de lievling van het stadje; en vóór Het een-en-twintigst lentseizoen zijns levens Volend was, vond zijn zoetste wensch gehoor: Hij kocht een eigen boot en richtte tevens Voor Annie, halverweg de nauwe straat Die oploopt naar den hoogen, slanken molen, Een woning in, gants voegzaam met hun staat,— Een vriendlijk nestjen, als in ’t groen verscholen. Een wijl daarna, des avonds, toen van ’t goud Der herfstzon zacht de kruin des heuvels blaakte En stroomde door het hazelarenwoud, Ging, waar ze steeds een feestdag zich van maakte, De blijde jeugd van ’t vlek, met korf en mand Uit nooten plukken. Philip kwam wat laat: Zijn vader had den jongling noodig, want Krank was hij en gesteld op Philips praat. Maar toen hij juist de hoogte zou bestijgen, Waar ’t sluikend bosch daalt naar den heuvelrand, Zag hij het paar, in stil welsprekend zwijgen, Henoch en Annie zittend hand in hand, Diens groot grijs oog en half verweerde kaken Zacht van een stil en heilig vuur aan ’t blaken Als op een altaar brandt. Hij zag—en las Zijn vonnis in hun trekken en hun oogen. Toen zich hun wangen naar elkander bogen, Ontsnapte hem een doffe kreet en ras Wegsluipend, als in ’t dichte kreupelhout ’t Gewonde hert, en door geen oog aanschouwd, Doorleefde hij, terwijl van pret de dreven Weêrgalmden, daar zijn uur van bange smart, Stond op, en nam toen voor geheel zijn leven Een honger met zich, die hem knaagde aan ’t hart.

The book keeps going

Keep reading, and see it illustrated

Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.

Illustrated scene from Alice's Adventures in WonderlandIllustrated scene from The Adventures of Sherlock HolmesIllustrated scene from Frankenstein

Scenes Storieta drew for other classics.

New illustrated classics

A new classic, drawn, in your inbox.

Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.