
Public-domain ebook
De drie vrouwen in het Heilige Woud
Language: nl383 downloads on Project Gutenberg
Subjects
In: Novels
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #74781.

Public-domain ebook
Language: nl383 downloads on Project Gutenberg
Subjects
In: Novels
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #74781.
The opening · free to read
Dat het landvolk van de streek omtrent Sangean het bosch op de steile heuvels heilig houdt, en het ook een woonplaats gelooft van nimfen en goede geesten, dat is om den wille van den vromen vorst die, voor onheugelijke tijden, als een kluizenaar hier leefde, en wiens graf, zoo zegt de overlevering, de bemoste terp is aan den zoom van het woud, gelegen tusschen een blank-bloeiend kambodja-boschje dat er zijn zuivere en geurige kelken over strooit, en een loutere bron. Dit verhalen van hem de verzen die de dalang van Sangean velen luisteraars half-zingend voorzegt des avonds bij het flikkerende olie-lichtje—de kinders op de slaapmat in den donkeren hoek doen hun best om wakker te blijven, zoo mooi is het wat daar verhaald wordt—dat hij een mild vorst was over de vele volkeren die zijn legers overwonnen hadden, van jongs aan een wel-willer en wel-doener aan zoovelen als tot zijn aangezicht naderden. Maar toen hij de middaghoogte bereikt had van zijn aan de zon gelijk leven, verzaakte hij rijkdom, macht en roem en koos het leven van een kluizenaar, om der volkomenheid wil. Want wèl begreep hij, die man van alleredelst verstand, dat de waarheid omtrent de ziel en de wereld en waarachtige deugd niet bereikbaar zijn voor den mensch die over andere menschen een heerscher is en die nooit als arbeid-genoot en vreugd-genoot en leed-genoot van hart tot hart gezamenlijk met hen, die God als zijn genooten toch schiep, aan het altijd-schooner wordende gebouw der wereld kan bouwen.
Toen hij, dus, zijn zoon zijn laatste raadgevingen gegeven had, en zijn zoons pasgeboren zoon, dien de vrouwen hem brachten, zegenend terug had gelegd aan de borst der bleek-glimlachende moeder, zegde hij tot zijn getrouwe vazallen, zijn zegevierende veldheeren en zijn raadslieden lang-beproefd „Vaartwel!” en ging heen uit het prachtige paleis, door vrouw noch dienaar gevolgd; want in de uiterste schaduw der poort had hij de weenenden die zijn voeten omhelsden en den zoom van zijn armelijk kleed tegen hun voorhoofd drukten met een onverbiddelijke zachtheid van zich gewezen. Een weinig rijst en zout aan een dorpspoort gevraagd, en water in een halve kalappanoot-schaal uit de beek geschept, dat was hem leeftocht genoeg op de reis naar het heuvelwoud van Sangean waar een droom hem de plek tusschen een kambodja-boschje en een loutere bron had getoond als zijn woonstee.
Van takken en gevlochten gebladerte bouwde hij hier een kluis. Zijn voedsel was de vrucht van het woud, zijn drank het water van de bron, zijn leven het nadenken over den mensch en de wereld. De vele ervaringen van zijn leven overpeinsde hij, de leeringen der wijzen, de gezangen der dichters, en woorden van spelende kinderen gehoord, en van vrouwen die onbeluisterd zich waanden. En wat bij dagen en bij nachten hij waarnam in het woud, het ontbotten en pralen en welken van het gebladerte, het opengaan in den morgendauw van bloesems en het rijpen der vrucht en wonderbaar vergaan tot nieuw bestaan, en het leven van de vele dieren, de sterke en de schuchtere, op den grond, en in de takken de vroolijke vogels, ook dat overdacht hij wèl; en hij gaf acht, om de wet te doorgronden van hun bewegingen, op de machten die de aarde en alle levens op haar regeerend omvangen, den hemel en de zon, de maan, de sterren, de wolken, den regen en den wind. Als de spoel die een behendige weefster heen en weder werpt door de gespannen draden van haar raam,—draden waren het, wade wordt het,—zoo schoot zijn gedachte heen en weer door herinnerde dingen en geziene,—dingen waren het, wijsheid werd het.
Winde-tijding ging van hem door het geheele land: „De groote koning woont als een kluizenaar in het woud van Sangean!” Toen kwamen de velen tot hem die het niet gewaagd hadden in de dagen van zijn macht en heerlijkheid. Om wijsheid baden zij hem, om wetenschap aangaande het goede, en de ware wijze van leven. En hij gaf aan een ieder naar zijn behoef en de mate van zijn begrip. Zoo verdonkerd van gedachte, zoo wond van haat, zoo moede door velerlei dwaling kwam geen, of hij keerde terug licht-gaande, met een glans in de oogen, en handen verlangend om te streelen en om weg te schenken; als het water van de bron zoo klaar en mild voelde hij in zich zijn hart. En zoo kwamen bedroefd en gingen blijde vele maanden, vele jaren lang vele honderden en vele duizenden menschen, totdat op een ochtend voor zonsopgang eerstkomenden niet den kluizenaar vonden, maar enkel zijn bleek, als een afgevallen bloesemblad doorschijnend dun geworden lichaam.
Het geheele volk groef zijn graf en bouwde zijn grafheuvel, elk voor zich de vrome eer begeerend, elk aan elken ander haar gunnend, om een eenigen en allerlaatsten dienst te doen aan hem die met zijn wijsheid en zachte deugd allen had gediend. Hem vierend herdachten en herhaalden zij zijn woorden, en het vele verheugelijke dat daaruit was voort gekomen aan vrede des harten ook in leed, en aan zoete gerustheid van broederlijk samenleven in arbeid en in vreugde, zóó, dat vijanden het kwaad vergaten dat zij elkander aan wilden doen, en machtigen den geringe dien zij verdrukt hadden recht beloofden, en door onvergetelijk gemis bedroefden een nieuwe kracht in hun hart voelden opstaan en niet langer eenzaam waren.
Toen scheen het hun dat niet te eenenmale heengegaan de wèlbeminde was. Een afglans van zijn wezen omscheen de plek zijner woon en lange rust, zijn zegen won wie verlangende kwam, voortaan als vroeger, en zijn graf werd een bedevaartsoord als zoo vele jaren zijn kluis het was geweest.
Dat is het tot op dezen dag. Verlangenden komen ieder met zijn eigen verlangst, om groote en blijvende dingen de een, om geringe de ander. De herdersjongen die een zangduif opfokt voor den wedstrijd—heimelijk, want zijn vader fronst het voorhoofd als hij den kleine ziet staan met het hoofd op zij, luisterend naar het geroekoe uit een kooi en al zijn gedachte gedacht omtrent duiven, terwijl onbehoed de buffel dwaalt en het nieuw-ontsproten veld afgraast—de herdersjongen bergt zijn duifje in den kambodja bij het graf, opdat door de deugd der heilige plek haar stem den echten hoogen klank krijge die wint in den wedstrijd. De koopman die de gevaarlijke reis over zee wil wagen legt zijn offerande op het graf. Vrouwen komen er bidden om een kind. En vele zijn de verhalen en ervaringen van geluk, ten deel gevallen aan hen die de nagedachtenis van den milden koning aanriepen om ontferming.
Daarom twijfelde Mboq-Inten uit Djalang Tiga geenszins of loutere waarheid voorspelde haar de droom, waarin zij haar dochter Inten, die bij de geboorte van haar kind gestorven was, levend en glimlachend en als een bruid met bloemen getooid, gezeten zag aan het graf in het Heilige Woud. En dit zeiden alle menschen in Soembertinggi omtrent de arme Samirah, haar die in haar gelukkigen tijd zóózeer had geleken op Inten—het Juweel als met recht haar naam haar noemde—dat zelfs goede kennissen over en weer het eene meisje met den naam van het andere groetten, als Samirah een bedevaart had mogen doen naar het graf, wat zij immers zoo zeer begeerde, dan zeker! ware zij wel moeder geworden, en de schande der kinderloosheid en het harteleed daarover hadden niet haar arme verstand gekrenkt.
De jonge vrouw van den Resident van Sangean, die Elizabeth met het lichte gelaat dat zoo zusterlijk neigen kon naar donkere aangezichten, hoorde gaarne naar de vele verhalen omtrent het wonderwerkende graf van den Vorst die om broederschaps wil een arme werd. Maar toen een vrouw, wier kindje daar van zware ziekte was genezen, haar van het verlangen en het verdriet der arme Samirah verhaald had, en van Mboq-Inten’s standvastige hoop, zag zij op met een nieuwen glans in haar oogen. En dikwijls, na dien dag, vond haar man haar alléén en stil, in gedachten diep verzonken.
Toen de doekoen, die met het kind ook het leven uit Inten’s afgemarteld lichaam gedreven had, Mboq-Inten het borelingske in den schoot legde, zag zij haar kleinkind niet aan. Zij wendde de oogen niet af van dat gebroken gelaat, die lijdelijke gestalte eindelijk stil van weenen en wringen. De vrouwen die de doode inwikkelden in de witte grafwade moesten van haar verkilde hand de hand der moeder losmaken. Zij zat wezenloos toen de vader van den jonggeborene de bloedverwanten en de buren bijeenriep ter beraadslaging over den naam. En zag zelfs niet op toen een jonge vriendin van Inten, zelve pas moeder geworden, den kleinen Kaïran aan de borst legde en medenam om tegelijk met haar eigen kind hem op te voeden.
Maar toen kwam de droom. Als een bruid bekranst, en het langs schouders en schoot lang afhangende haar, zoo rijk doorvlochten met bloemen dat zij wel gekleed in bloemen scheen, zat Inten aan het graf, en zijzelve met den kleinen Kaïran aan de hand ging haastig op haar toe en riep: „O mijn kind, zijt ge dan eindelijk wedergekomen!”
Van dien vreugdekreet ontwaakte Mboq-Inten. Zij ijlde naar Kaïran’s pleegmoeder. De vriendelijke jonge vrouw had hem aan de borst; hij dronk gretig. Naijverig zag zij het aan. Had zij het toch zelve gekund, had toch met haar eigen leven zij Intens kind mogen voeden! Met een hartstochtelijke teederheid streelde zij het zachte lijfje. „O hoe zal ik voor hem zorgen! Hoe zal ik hem voeden en troetelen dat hij groot en schoon worde! Dat je je over hem verheugen kunt bij het weerzien, mijn juweel!”
Zij kon den dag haast niet afwachten om hem terug te halen in het eigen huis. Met rijst en pisang dooreengekneed tot zoet voedzame hapjes zat zij hem op haar schoot te voeren. Den geheelen dag droeg zij het kleintje met zich mede, in haar zorgvuldig geschikte sjerp als in een hangend wiegje gevleid. Hij sliep naast haar op de met een nieuwe mat bespreide baleh-baleh. Het eerste waarnaar zij zag bij het wakker worden in het vroege licht, was dat kleine ronde donzig zwarte hoofd; de oogen lagen dicht, met de wimpers op de wangen als twee fijngestreepte schaduwstreekjes. Het mondje stond even open, de witte tandjes kwamen te zien. Mboq-Inten richtte zich op den elleboog op om lang hem te bekijken. Zij verzaadde haar oogen aan hem. En telkens dacht zij dan weer aan den tijd toen zij zoo gekeken had naar Inten.
Paq-Inten had het graf gekenteekend met twee sierlijk gebeeldhouwde en gestoken palen aan hoofd- en voeteneinde, dat de moeder het vinden zou als zij op de herinneringsdagen met het offer-voedsel kwam, dat de zielen verkwikt in het land der schaduwen. Maar Mboq-Inten ging enkel op de herinneringsdagen die de Adat heeft gesteld naar de begraafplaats; en na een wijle bleef zij geheel en al weg daarvan. Telkens echter ging zij met bloemenoffers naar het Heilige Woud; en terwijl zij den melatih-krans neerlegde op de grafterp en uit volle hand rozeblaadjes strooide over het mos, fluisterde zij, met tranen in de oogen: „Blijf nu niet al te lang weg, mijn hartekind! Kom toch spoedig ach! spoedig! terug bij je lieve moeder!”
Kaïran was nog veel te klein om haar te verstaan; maar toch gaf zij hem soms bloemen in de handjes en zeide, terwijl zij hem die liet neerleggen op het graf, dat dit was opdat zijn moeder te eer terug zou komen; en dan bracht ze hem mee wat hij maar bedenken en begeeren kon.
The book keeps going
Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.



Scenes Storieta drew for other classics.
New illustrated classics
Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.