Storieta
English
Save & sign up

The opening · free to read

Personen:

Koning Hendrik de Zesde. Humfried, Hertog van Gloster, oom des Konings en Protector. John, Hertog van Bedford, oom des Konings en Regent van Frankrijk. Thomas Beaufort, Hertog van Exeter, oudoom des Konings. Hendrik Beaufort, Bisschop van Winchester, oudoom des Konings, naderhand Kardinaal Beaufort. John Beaufort, Graaf, later Hertog van Somerset. Richard Plantagenet, zoon van den terechtgestelden Graaf van Cambridge, naderhand Hertog van York. Richard Beauchamp, Graaf van Warwick. Thomas Montague, Graaf van Salisbury. William de la Pole, Graaf van Suffolk. Lord Talbot, later Graaf van Shrewsbury. John Talbot, zijn zoon. Edmund Mortimer, Graaf van March. Sir John Fastolfe, Sir William Lucy, Sir William Glansdale en Sir Thomas Gargrave. Woodville, Commandant van den Tower. De Mayor van Londen. Vernon, van de Witte Roos of York-partij. Basset, van de Roode Roos of Lancaster-partij.

Karel, Dauphijn, later Koning van Frankrijk. Reignier, Hertog van Anjou, naam-Koning van Napels. De Hertog van Bourgondië. De Hertog van Alençon. De Bastaard van Orleans. De Bevelhebber van Parijs. De Generaal der Fransche troepen in Bordeaux. De Tuigmeester van Orleans en zijn Zoon. Een Fransch Sergeant. Een Portier. Een oude Herder, vader van Jeanne d’Arc.

Margaretha, dochter van Reignier. De Gravin van Auvergne. Jeanne d’Arc, genaamd de Pucelle, of de Maagd van Orleans.

Edellieden. Wachten van den Tower. Herauten. Officieren. Soldaten. Boden. Dienaars, zoowel Engelsche als Fransche.—Booze Geesten, aan de Pucelle verschijnend.

Het Tooneel is deels in Engeland, deels in Frankrijk.

EERSTE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

Westminster-abdij.

Een doodenmarsch.—De lijkbaar van Koning Hendrik de Vijfde wordt binnengebracht en nedergezet, omringd door de hertogen van Bedford, Gloster en Exeter, den Graaf van Warwick, den Bisschop van Westminster, Herauten enz.

BEDFORD. Behangt den hemel zwart, dag worde nacht! Kometen, staats- en tijdenwiss’ling spellend, Zwaait uw glasheldre tressen door de lucht, En geeselt zoo de booze, oproer’ge sterren, Tot Hendriks dood vereend, des vijfden Hendriks, Die al te roemrijk was om lang te leven! England verloor geen koning ooit, zoo groot.

GLOSTER. England bezat, vóór hem, nog nooit een koning. Zijn heldendeugd gaf hem terecht gezag; Zijn bliks’mend krijgszwaard straalde een ieder blind; Zijn armen hadden meer dan drakenvlucht; Zijn fonk’lend oog, vol vuur’gen toorn, ontzette, En dreef zijn tegenstanders meer ter vlucht, Dan ’s middags zon, hun vlammende in ’t gelaat. Wat zeg ik? Welke tong schetst ooit zijn lof? Hij hief de hand nooit op, of zegepraalde.

EXETER. Wij rouwen zwart; doch waarom niet in bloed? Hendrik is dood om nimmer te herleven; Wij doen hier bij een houten lijkkist dienst, Verheerlijken des doods oneed’le zege, Met statig begeleiden, als gevang’nen, Aan eens verwinnaars zegekar geboeid. Hoe? Zullen wij die onheilssterren vloeken, Die de’ ondergang bewerkten onzes roems? Of wel, de sluwe Franschen voor bezweerders En toov’naars houden, die, uit angst voor hem, Door rijm en staf zijn dood te wege brachten?

WINCHESTER. Een koning was hij, dien der vorsten koning Gezegend heeft. De schrik des oordeelsdags Zal wis den Franschen niet zoo schrikk’lijk zijn, Als de aanblik was van hem. Hij streed den strijd Des Heeren der heerscharen. De gebeden Der kerk verleenden voorspoed aan zijn doen.

GLOSTER. Der kerk? waar is zij? zonder de gebeden Der papen waar’ zijn levensdraad nog gaaf; Alleen een zwakk’ling wenscht gij op den troon, Dien ge als een schoolknaap om den vinger windt.

WINCHESTER. Wat wij ook wenschen, als protector Gloster,— 37 Dat zijt gij toch—beheert gij prins en rijk. Uw vrouw is trotsch en zij houdt u in tucht, Meer dan God zelf of vrome priesters ’t kunnen.

GLOSTER. Spreek niet van vroomheid, gij bemint het vleesch, En nooit in ’t gansche jaar gaat gij ter kerk, Tenzij ge uw’ haters onheil toe wilt bidden.

BEDFORD. Staakt dit getwist en gunt uw harten vrede! Komt, naar ’t altaar!—Herauten, gaat ons voor!— En off’ren wij, voor goud, daar onze waap’nen, Want waap’nen helpen niet, nu Hendrik stierf. Nakroost, verwacht een boozen tijd, waarin Het wicht aan moeders vochtige oogen zuigt, Dit land een voedster wordt van zilte tranen, Een tijd, die niemand in het leven laat Dan vrouwen, om de dooden te beschreien!— Hendrik de vijfde! uw geest bezweer ik: schenk Dit rijk geluk, houd burgertweedracht verre! Bestrijd daarboven dreigende planeten! En uwe ziel wordt een roemruchter ster Dan Julius Cæsar of de heldre—

(Een bode komt op.)

BODE. Doorluchte lords, u allen mijnen groet! Recht booze tijding breng ik u uit Frankrijk Van nederlagen, bloedbad en verlies: Guienne, Rheims, Champagne en Orleans, Parijs, Rouaan, Poitiers, ’t is al verloren.

BEDFORD. Wat meldt gij, man, bij koning Hendriks lijk? Spreek fluist’rend, of ’t verlies dier groote steden Doet hem zijn lood verbreken en herleven.

GLOSTER. Parijs verloren! Rheims door ons ontruimd! Werd Hendrik nu ten leven weer gewekt, Die tijding deed nog eens den geest hem geven.

EXETER. Wat,—welk verraad deed dit verloren gaan?

BODE. Verraad niet, maar gebrek aan geld en manschap, De krijgers fluist’ren dit elkander toe: Dat onder u verdeeldheid heerscht, en gij, In plaats dat gij te velde trekt en vecht, Om ’t kiezen van de legerhoofden twist. De een wil met weinig kosten de’ oorlog rekken, Een ander vliegen, maar is vleugelloos, Een derde hoopt, geen enkele uitgaaf doend, Door list en fraaie woorden vreê te erlangen. Ontwaakt, ontwaakt, gij Englands ridderschap! Dat traagheid niet uw jongen roem doe tanen! De leliën uit uw wapen zijn geplukt, Uw wapenrok ter helfte weggehouwen. 81

EXETER. Zoo onze tranen bij dit lijk ontbraken, Hun vloed wierd door uw nieuws weer opgewekt.

BEDFORD. Mij gaat dit aan, ik ben regent van Frankrijk. Mijn pantser hier! Ik wil om Frankrijk vechten, Weg met dit oneerbrengend rouwgewaad! Ik dring den Franschen wonden op voor oogen, Om hun hernieuwde ellende te beschreien.

(Een tweede Bode komt op.)

TWEEDE BODE. Leest deze brieven, lords, vol bitter onheil. Gansch Frankrijk is in opstand tegen ons, Op enk’le nietig kleine steden na. In Rheims is Karel, de dauphijn, gekroond, De bastaard Orleans met hem vereenigd, Reignier, hertog van Anjou, koos zijn zijde, De hertog Alençon vlood heen, tot hem.

EXETER. Wat! de dauphijn gekroond! en allen bij hem! O, waarheen vlieden wij bij zulk een smaad?

GLOSTER. Vlieden? Neen, vliegen we aan des vijands strot!— Bedford, indien gij draalt, neem ik het op.

BEDFORD. Gloster, waarom betwijfelt gij mijn strijdlust? ’k Heb in mijn geest een leger reeds gemonsterd, Dat als een stortvloed Frankrijk overdekt.

(Een derde Bode komt op.)

DERDE BODE. Om, eed’le lords, uw rouw nog te vermeerd’ren, Waarmee gij koning Hendriks baar bedauwt, Moet ik bericht doen van een feilen strijd Van de’ onverschrokken Talbot met de Franschen.

WINCHESTER. Waar Talbot toch in overwon, niet waar?

DERDE BODE. O neen, waar Talbot in geslagen werd; Uitvoerig wil ik heel den loop u melden. Toen op den tiende’ Augustus deze held Terugtrok van ’t beleg van Orleans, Te nauwernood zesduizend strijders sterk, Werd hij door drie-en-twintigduizend Franschen Geheel omsingeld en met kracht bestookt. Hij had den tijd niet om zijn volk te scharen, Geen pieken om te planten voor zijn schutters; Zij staken daarom haastig scherpe palen, Die ze uit de heggen rukten, in den grond, Om de’ aanval van de ruiterij te keeren. Meer dan drie uren duurde zoo ’t gevecht, En Talbot, dapper boven ’s menschen denkkracht, Verrichtte wond’ren met zijn zwaard en lans, Zond honderden ter helle, en niemand stond hem! Hier, daar, en overal sloeg hij verwoed. De Franschen riepen uit: „de duivel vecht hier”, Hun gansche leger staarde ontzet hem aan; Zijn krijgers, dien ondoofb’ren moed ontwarend, En „Talbot! Talbot” roepend, stortten zich Vereend vooruit en in het hart des strijds. 129 En wis waar’ hun de zege vast bezegeld, Had Sir John Fastolf zich niet laf betoond. Hij, voorhoede eerst, zou met zijn krijgers nu De hoofdmacht volgen en den rug haar dekken, Maar vluchtte laf en zonder slag of stoot. Hieruit ontsproot de nederlaag en ’t bloedbad. Een Waal, den bijval des dauphijns bejagend, Stiet valsch zijn speer held Talbot in den rug, Hem, wien de gansche legermacht van Frankrijk Nooit had gewaagd in ’t aangezicht te zien.

BEDFORD. Is Talbot dood? dan dood ik ook mijzelf, Daar ik hier leefde in praal en rust, terwijl Een held als hij hulp dierf bij zulke daden En aan zijn lagen vijand werd verraden.

DERDE BODE. O neen, hij leeft, maar toch, hij is gevangen, Met hem lord Scales en ook lord Hungerford; Zóó de andren meest gevangen of gevallen.

BEDFORD. Ik kwijt zijn losgeld, ik, en niemand anders. ’k Rijt den dauphijn nu rugg’lings van zijn troon, En zijne kroon zij ’t losgeld van mijn vriend; Vier hunner lords geef ik voor één der onze.— Vaartwel, mijn vrienden, ’k spoed mij aan mijn taak; Ik steek in Frankrijk vreugdevuren aan, Om ons Sint George’s feest met glans te vieren. Tienduizend krijgers neem ik mee, wier spoed Bij ’t bloedig werk Europa sidd’ren doet.

DERDE BODE. ’t Is dringend, Orleans wordt wel belegerd, Doch ’t Engelsch heer is uitgeput en zwak; De graaf van Salisbury smeekt om versterking En houdt het nauwelijks af van muiterij, Wijl ’t, luttel, zulk een macht bewaken moet.

EXETER. Lord, denkt aan de eeden, die gij Hendrik zwoert, Van den dauphijn geheel, voor goed, te fnuiken, Of wel, hem neer te buigen in uw juk.

BEDFORD. ’k Gedenk die eeden en ik neem thans afscheid, Opdat ik mij terstond ten strijde rust.

The book keeps going

Keep reading, and see it illustrated

Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.

Illustrated scene from Pride and PrejudiceIllustrated scene from Alice's Adventures in WonderlandIllustrated scene from The Adventures of Sherlock Holmes

Scenes Storieta drew for other classics.

New illustrated classics

A new classic, drawn, in your inbox.

Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.