Ging de vreemdeling naar binnen, dan vond hij in het vertrek, dat slechts gemeubeld was met een wankel tafeltje en twee stoelen, een armoedig gekleeden jongeling van 15 of 16-jarigen leeftijd, die den bezoeker met verbaasde blikken aanstaarde, alsof hij niet wist, wat iemand ter wereld daar te zoeken kon hebben.
Vroeg men naar de redactie of den directeur van de courant, dan luidde het antwoord, dat de jongen gaf, altijd:
„Mr. Röttger, de redacteur, en mr. Kroyzer zijn allebei uit de stad en het is niet te zeggen, wanneer zij terug zullen komen.”
Men werd dan verzocht zijn aangelegenheden schriftelijk te behandelen.
Niemand probeerde het ooit, de vijf trappen nogmaals, en misschien tevergeefs, te beklimmen en men deed zijn zaken dan maar per brief af.
De redacteur en de eigenaar van de courant moesten geldige redenen hebben om een ontmoeting met het publiek te vermijden.
Ook had nog nooit iemand van den goed afgerichten jongen de particuliere adressen der beide heeren vernomen.
Zelfs tegen een groote fooi verried hij zijn meesters niet.
Eenmaal per week kwam de Alarmkreet uit en niemand wist hoe groot de oplaag was.
Slechts enkele Londenaars kochten het blad.
Het was, alsof men bang was om er de hand naar uit te steken.
Zij, die het kochten, deden het alleen omdat zij belust waren op schandaaltjes, die zij in de Alarmkreet rijkelijk konden vinden, of wel het waren lieden, die zelf in het schimpblad aan de kaak werden gesteld.
Onder den schijn, voor recht en waarheid te strijden, maakte het weekblad er zijn werk van, de zwarte zielen der Londenaren nog donkerder af te schilderen dan zij inderdaad reeds waren.
Slechts zij, die een flink bedrag betaalden of abonné’s waren, konden er zeker van zijn, niet door het slijk te worden gesleurd.
Het laatste nummer der Alarmkreet bevatte een artikel over John Raffles, den grooten onbekende.
Mijnheer de redacteur meende te kunnen bewijzen, dat de edele karaktereigenschappen, welke Raffles in al zijn daden aan den dag had gelegd, niets anders dan schijnheiligheid waren.
Inderdaad moest hij een gewetenlooze avonturier zijn, een misdadiger, die zijn ongelukkigen slachtoffers hun laatsten cent ontnam om het geld in gezelschap van lichtzinnige losbollen of met dames der demi-monde te verbrassen.
Charly Brand, de vriend en helper van Raffles, had de courant gekocht, toen die op straat met luid geschreeuw werd aangeboden en legde ze op diens schrijftafel nadat hij het artikel, dat als opschrift droeg: „De waarheid omtrent Raffles!” met blauw potlood had aangestreept.
Lord Lister was juist uit de sportclub Hellas in zijn voorname, deftige woning teruggekeerd en had dadelijk de courant even ingekeken.
De secretaris lette nauwkeurig op de gelaatsuitdrukking van zijn vriend.
Raffles liet, nadat hij het artikel gelezen had, zijn monocle uit de oogholte vallen en ving het in de hand.
Met een schalkschen blik en een vroolijk glimlachje sprak hij tot Charly Brand:
„Nu weet ik tenminste de waarheid omtrent mijzelf. Het is opvallend, hoe weinig wij, menschen, ons eigen karakter soms kennen. Ik heb inderdaad tot dusverre nog niet geweten, dat ik een vreeselijke Don Juan, een speler en drinker ben. Alle eer aan de Alarmkreet! Zij heeft mij de oogen geopend. Ik voel, dat ik zoo slecht ben, dat ik nauwelijks meer in den spiegel durf kijken.”
Charly Brand begreep deze ironie niet.
Mismoedig fronste hij de wenkbrauwen en antwoordde:
„Ik snap je niet. Wil je het artikel, zonder er notitie van te nemen, in de prullemand werpen?
„Moet men jou, die elken penning, welken je met je sport verdient, besteedt om den nood van ongelukkigen te lenigen, moet men jou werkelijk voor een speler en een drinker houden?”
John Raffles stond op en klopte zijn secretaris geruststellend op den schouder.
„Mijn lieve, beste jongen! De enkele lezers van dit artikel mogen er, wat mij betreft, gelukkig mee zijn. De andere menschen zullen zeker wel weten, wat men van een stuk in de Alarmkreet kan gelooven.
„Het zou zeer beleedigend voor mij zijn, wanneer het schimpblad had geschreven, dat ik een eerlijk, vroom mensch was, dat ik een even volmaakt gentleman was als de heeren van de Alarmkreet dat zelf zijn.
„Kijk eens, mijn beste Charly, zulk een artikel zou ik niet onverschillig ter zijde hebben gelegd, want dat zou een beleediging zijn geweest.
„Ik dacht er juist vanmorgen over na, waar ik een nieuw terrein zou kunnen vinden voor het verdere uitoefenen van mijn sport.
„Ik zal mij nu eens in het belang van het menschdom met dit alom verspreide blad bezighouden.
„Doe eens je best om er achter te komen waar de eigenaar en de hoofdredacteur van het blad wonen en op welke uren zij te spreken zijn. Dan kan ik mijn plan in elkaar zetten.”
Charly Brand stond op, en daar het zijn gewoonte was, de bevelen van zijn meester dadelijk ten uitvoer te brengen, nam hij zijn hoed en wandelstok om zich op weg te begeven.
„Mocht je den hoofdredacteur persoonlijk te spreken krijgen,” sprak lord Lister, toen Charly de kamer wilde verlaten, „stel je dan aan hem voor als schrijver, wat je immers ook bent.”
Charly Brand bloosde.
„Hoezoo?” vroeg hij. „Hoe weet jij, dat ik schrijf?”
„Ik weet het,” antwoordde Raffles lachend, „ik vond namelijk, toen je uit waart, in je kamer een lijvig werk, waarin je de meeste mijner uitgehaalde streken op verbazend kunstige wijze hebt weergegeven.
„Daarom heb ik het recht te zeggen, dat jij een auteur bent.”