LORD LISTER GENAAMD RAFFLES DE GROOTE ONBEKENDE.
NO. 334 ONDER DE GOUDZOEKERS.
ONDER DE GOUDZOEKERS.
HOOFDSTUK I.
OP JACHT AAN DE TANANA.
De zon stond op het punt achter den kam van de bergen te verdwijnen, die zich aan beide zijden langs de oevers van de Tanana uitstrekken, een zijrivier van de Jukon, in Alaska.
Het breede dal van de dichtbevroren rivier was met een dikke laag sneeuw bedekt, en het was bijna onmogelijk na te gaan, waar de oever eindigde en de stroom begon.
Het schitterend witte dek spreidde zich uit over de ontmetelijke vlakte zoowel als over de ijskorst, die de wateren van de Tanana reeds eenige maanden gevangen hield.
Op de hellingen van de bergen vormden alleen de pijnbosschen donkere vlekken, maar voor het overige was alles wit, smetteloos wit.
Het was zoo vreemd stil in deze afgelegen streken, waar de mensch op ieder uur van den dag een verbitterden strijd moet strijden tegen de natuur, tegen het wilde gedierte—en tegen zijn ergsten vijand—zijn medemensch, dat men zelfs op verren afstand het neervallen van een dooden tak hoorde, of het trippelen van een wilden eend over het ijs in de rivier, daar waar de felle wind een gedeelte van de oppervlakte had schoongeveegd.
Woningen waren heinde en ver niet te zien.
De bevolking was hier zoo schaarsch, dat men dagen achtereen kon reizen, zonder een levend wezen te ontmoeten, uitgezonderd de wolven, rotganzen, duikereenden, berggeiten, beren en wilde honden.
Iets wat op een pad geleek, kronkelde langs de berghelling in Noordelijke richting, beschermd door de pijnboomen, die zich stil en statig ten hemel strekten.
Langs dat pad bewogen zich langzaam drie mannen, zoo dicht in hun pelzen gehuld, dat er van hun gelaat slechts weinig te bespeuren viel.
En dat was wel noodig, want de thermometer wees op dat oogenblik bijna dertig graden onder nul.
Een soort kap, eveneens van bont, omgaf hun hoofd, en was onder de kin dichtgesnoerd.
Hun beenen staken in met bont gevoerde lederen kappen, die tot ver boven de knie reikten.
Dikke wanten, van wol met schapenvacht gevoerd, beschermden hun handen tegen de vreeselijke koude.
Ieder hunner droeg een linnen zak over den schouder, blijkbaar bestemd om er het wild in te bewaren.
Want dat de drie mannen op jacht waren geweest bleek uit hun bewapening en verdere uitrusting.
Zij droegen een uitmuntend Engelsch jachtgeweer aan een riem over den schouder, en in den lederen gordel stak een lang jachtmes, sterk en scherp geslepen.
Voorts waren zij allen voorzien van een veldflesch; en een geheele uitrusting om onderweg eten te kunnen bereiden was over de drie jagers verdeeld.
Hun voeten waren voorzien van sneeuwschoenen, waarmede een geoefend man zich zeer snel over de sneeuw weet te verplaatsen.
Thans echter konden zij niet vlug vooruit komen, want het pad ging bergopwaarts, en zij moesten gebruik maken van hun korte bergstokken om niet telkens achteruit te glijden.
Dicht naast een der drie mannen liep een groote, fraaie wolfshond, een sterk, moedig dier, nimmer bevreesd den wolf aan te vallen, en die zijns gelijke vruchteloos zocht bij het speuren van het wild.
De jagers hadden eenigen tijd zwijgend voortgestapt—of liever gegleden, toen de jongste hunner vroeg:
—Zouden wij nu nog ver van het blokhuis zijn, Edward?
—Ik denk nog een uur, misschien nog vijf kwartier. Ben je vermoeid?
—Dat niet zoo zeer—maar ik gevoel mij buitengewoon slaperig!
—Dat is steeds het geval wanneer men voor het eerst in deze barre streek komt en lang buitenshuis vertoeft! De koude heeft altijd een slaapverwekkenden invloed.
—Dan ben ik zeker sterk gepredestineerd, want ik kan mijn oogen ternauwernood open houden! hernam de ander lachend. En hoe staat het met onzen vriend Henderson?
De derde man van het kleine troepje, een ware Hercules, antwoordde lachend:
—Ik wil mij niet beter maken dan ik ben, mijnheer Brand—ik geloof dat ik in slaap zou vallen, zoodra ik maar even stilstond!
—En daarom moeten wij voortmaken, vrienden! hernam de oudste van het drietal. Want die toestand is gevaarlijk. Wie aan die slaapzucht zou toegeven—die zou nimmer meer ontwaken.....
Die waarschuwing scheen de beide anderen tot meerderen spoed aan te zetten, want vlugger tikten de sneeuwschoenen op de hardbevroren oppervlakte, en nu was spoedig de top van het gebergte bereikt, dat hier niet hooger dan vijfhonderd meter boven de vlakte uitrees.
De drie jagers bevonden zich hier in een soort bergpas, breed en vlak, die zich over een lengte van bijna twee kilometer uitstrekte.
Toen zij het einde van die pas bereikt hadden, zagen zij neer op de vlakte die overgoten werd door de stralen van de ondergaande zon.
Het was een verrukkelijk schouwspel en als onwillekeurig bleven de drie mannen een oogenblik stilstaan, diep onder den indruk van hetgeen zij zagen.
De vlakte strekte zich uit tot aan den gezichtseinder waar zij werd afgesloten door een ander gebergte, dat als in een violetten nevel gehuld scheen.
Hier en daar vertoonde de vlakte een diepe inzinking, waar de sneeuw zich meterhoog had opgestapeld.