Public-domain ebook
Dokter Helmond en zijn vrouw
Language: nl8,388 downloads on Project Gutenberg
Subjects
In: Novels
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #25138.
Public-domain ebook
Language: nl8,388 downloads on Project Gutenberg
Subjects
In: Novels
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #25138.
Dit werk van Jacobus Jan Cremer is een verzameling van dorpsverhalen en novellen die het landelijke leven in de Betuwe en Gelderland schildert. Het opent met een levendige scène waarin een spreker, Cremer zelf, een menigte van voorname luisteraars betovert met zijn stem en imitaties, waarna een reeks anekdotes over boeren, hun kinderen en de kleine conflicten van het dorp volgt. De tekst geeft meteen een indruk van de humor en de sociale observaties die kenmerkend zijn voor Cremer’s schrijfstijl: van de onhandige burgemeester tot de naïeve veldwachter, van de kinderlijk onschuldige dialoog tot de schrijnende armoede van fabriekskinderen.
De vertelstem is rijk aan 19e‑euwse Nederlandse dialecten en beschrijft met zowel ironie als mededogen de alledaagse dramatiek van het platteland. Lezers die geïnteresseerd zijn in historische regionale literatuur, in de ontwikkeling van de Nederlandse dorpsnovelle, of in een levendige, soms komische, soms aangrijpende weergave van de sociale realiteit van die tijd, zullen dit boek bijzonder boeiend vinden.
The opening · free to read
Dames en heeren uit de voornamere kringen, anders zeldzaam bij Nederlandsche voordrachten, thans te laat gekomen, daar al de plaatsen reeds een uur te voren bezet waren, stonden zeer verlegen, maar volkomen waardig, uit te zien naar de eene of andere open plek. Een stoel op de verhevenheid naast den spreker, was alles wat overbleef. Eenvoudig, maar toch bewust van zijne kracht, trad Cremer voorzichtig door de dichte rijen zijner hoorders. Zoodra hij begon, ving zijne overwinning aan. Hij greep onmiddellijk in de gemoederen, sloeg terstond den juisten toon aan. Zijne klankvolle, met meesterlijke berekening ingehouden stem drong overal door. Zijn geheel eenig talent van nabootsen sleepte zelfs den stugsten hoorder mee.
Welk een gloed in de voordracht, als hij den opgeblazen domtrotschen boer uit het "_Pauweveerke_" in zijn sjees doet voorthollen over den weg; hoe zacht en teeder klinkt de stem van Kruuzemuntje, als zij grootmoeder voorleest uit het sprookjesboek; welk eene schalkheid, als hij eene Overbetuwsche Romeo en Julia doet vrijen in den kersenboomgaard; welk eene kracht als hij den veerman Dorus Giesels met zijne boot over de rivier laat roeien bij opkomenden storm--dit alles maakte Cremer tot den grootsten dramatischen kunstenaar van ons vaderland in den verhevensten zin van het woord.
I.
Cremer, in de schoone Geldersche dreven geboren (te Arnhem den 1sten September 1827), meestal vertoevende op den Oldenhoff, het buitengoed zijns vaders, bij Driel, kwam van zijn jeugd af in aanraking met de Geldersche boerenwereld, die hij weldra--hij schreef zijne eerste dorpsvertelling op den Oldenhoff in 1850--met zooveel meesterschap zou voorstellen. Het is algemeen bekend, dat hij begon met het schilderen van Geldersche bosschen, maar spoedig boeide hem de Betuwsche menschenwereld oneindig meer dan de frissche Geldersche natuur. De rijkdom zijner waarnemingen deed zich beter, deed zich krachtiger gelden op het papier dan op het doek, en zoo is Cremer de algemeen beminde novellist en romanschrijver geworden, die aan het bloeiend tijdperk onzer Romantiek zooveel luister wist bij te zetten.
Ik zal het genot door de lezing of door zijne voordracht der "_Betuwsche Novellen_" mij herhaaldelijk geschonken, niet licht vergeten. Hoe dikwijls vergezelde ik hem, als hij zijne beide rijke Betuwsche boeren, Meeuwsen en diens zoon Gijs, van hun dorp naar Amsterdam doet reizen om de Kermis te zien. Aardig vooral is de schildering der rampen van de twee gegoede dorpers, die met allerlei slag van beleefde afzetters in aanraking komen. Het klagen van Meeuwsen, wanneer hij met eene plaatskaart der eerste klasse in den tochtigen derde-klasse-waggon zijne verzuchtingen begint met: "Slechte woar veur 't geld!"--de openhartigheid van Gijs, als hij in den omnibus op de vraag van den conducteur: "Waarheen?"--grinnekend antwoordt:--"Ik? Noar de Karmis, is 't niet, voader?"--zijne kinderlijke dankbaarheid, als een knecht uit den Doelen hem zijn reiszak afneemt en hij beweert, dat het "veul te vrindelijk" is--de kluchtige naïeveteit van beiden, vader en zoon--als ze, in twee verschillende vertrekken opgesloten, elkander toeroepen door het houten beschot: "Jong! woar zit ie? Wat zuwwe nou doen? Kom toch is hier?" en Gijs antwoordt: "Mag dat voader?"--de verlegenheid van denzelfden Gijs, die, als hij eten bestellen moet, een reiziger aanspreekt, welke hem het zelfstandignaamwoord "Ezel!" toesnauwt--al deze en honderd andere kleine trekken zijn van eene verrassende comische kracht en getuigen tevens van zooveel fijne studie en trouwe schildering der werkelijkheid, dat ze aan Cremers arbeid eene schitterende toekomst waarborgen.
De "_Betuwsche novellen_" leggen nog altijd het zwaarst gewicht in de weegschaal van des schrijvers roem. "_Deine Meu_" "_Oan 't kleine revierke_", "_'t Pauweveerke_", "_'t Kriekende Kriekske_", "_Kruuzemuntje_"--vooral dit laatste verhaal, zoo voortreffelijk gespeeld bij de voordracht--blijven de immer groenende twijgen aan Cremers lauwerkrans. Er was eenmaal gedurende eene vergadering der redactie van "_de(n) Nederlandsche(n) Spectator_" een geleerde strijd over het nut en de wenschelijkheid van dialecten in novelle en roman. Bakhuizen van den Brink, die in Cremers "_Oan 't kleine revierke_" bladerde en las, legde het boekske weg met de ernstige verklaring, dat hij er een paar dagen uit zijn leven voor geven wilde, mocht hij auteur worden van bladzijden als deze [1].
Allerliefst is de vertelling van "_Kruuzemuntje_." Dit aardig boerenkind wordt door Bol, den veldwachter--den slimmerik, die een beetje te veel "klaart en rooje-jenevert" zegt de Burgemeester--beschuldigd, van appels te hebben gestolen. Zeldzaam is een eenvoudig gegeven zoo geestig uitgewerkt. De aartsdomme Burgemeester, de handige Secretaris, de plompe veldwachter, het onschuldige kind, vormen een aantrekkelijk tafereel, waarvan de indruk nog verhoogd wordt, als men Grootmoeder en Arie, Kruuzemuntjes vader, heeft leeren kennen.
Naast Cremers dorpsvertellingen staan zijne novellen en romans uit het Nederlandsche stadsleven met eene eigenaardige strekking. Cremer heeft evenals Charles Dickens door zijne pen maatschappelijke hervormingen willen invoeren. Dickens tuchtigde in "_Nickleby_" den ellendigen staat der kostscholen in Yorkshire, in "_Nelly_" ("_Old Curiosity Shop_") en "_Hard Times_" het verschrikkelijke lot van fabrieksvrouwen en fabriekskinderen; in "_Chuzzlewit_" de slavernij en de kwade praktijken der Yankees; in "_Dombey_" den geldtrots; in "_Copperfield_" de juridische knoeierijen van Doctors Commons; in "_Bleak House_" de nog grooter misbruiken van het kanselarijhof en de evangelisatie-dolheid van sommige domme Engelsche vrouwen; eindelijk in "_Little Dorrit_" den tragen gang van het Engelsch staatsbestuur.
Zoo strafte Cremer in zijne "_Betuwsche novellen_" de zeven hoofdzonden telkens in het type van den eenen of anderen boer; zoo schrijft hij een pleidooi voor Frederiksoord en de Maatschappij van Weldadigheid in zijn "_Wouter Linge_". Cremer heeft Frederiksoord bezocht, hij heeft gezien hoe dringend daar behoefte is aan stoffelijke ondersteuning. De teekening der geduldige liefde van Anna Linge en Willem is eene idylle met de strekking, om de aandacht te vestigen op eene instelling, wier voortreffelijkheid door onze landgenooten niet altijd op den juisten prijs wordt geschat. Een vermogend en edelmoedig Nederlander te Batavia, las Cremers "_Wouter Linge_" en zond, onder omslag, een paar flinke bankpapiertjes naar Frederiksoord. Het feit is welsprekend en behoeft geene toelichting.
In "_Fabriekskinderen_" onderneemt hij een veldtocht tegen een groot onrecht in Nederland--de exploitatie van het kind door de ouders in de fabrieksteden; "van ouwers"--als Juffrouw Baks zegt--"die zuipen en luieren en d'r eigen onmondig vleesch voor den kost laten zorgen." Met dit voortreffelijk kunstwerk had Cremer veel geluk. De wet Van Houten zal ter zijner eer blijven getuigen, hoe een dichter, ondanks duizenden ongunstige omstandigheden van eigenaardig Nederlandsche kleur, invloed oefende ten goede op de achtbare Nederlandsche wetgevende Macht.
In de grootere romans, die hij sedert 1867 begon te schrijven, streeft hij naar een dergelijk doel. "_Anna Rooze_" is een warm pleidooi tegen praeventieve inhechtenisneming, "_Hanna de Freule_" behandelt werkstakingen en de sociale quaestie, "_Tooneelspelers_" hekelen de vooroordeelen, in Nederland zeer ten onrechte tegen den stand en de personen van tooneelkunstenaars gekoesterd.
II.
Het verdienstelijke, het ongemeene in Cremer is, dat hij de goedheid van zijn hart op treffende wijze in zijn kunstwerk openbaart. Cremer heeft zijne natuurgenooten lief en gevoelt een diep medelijden voor ieder verdrukt, of onrechtvaardig ter zijde gesteld schepsel. Zijn warm hart voor al wat edel is en rechtvaardig, doet hem ijveren tegen elk onrecht, dat hij meent te ontdekken. In de teekening van booze naturen is hij niet zoo gelukkig, als in de schildering van edele menschen; hij verstaat de kunst om nobele karakters voor den schijn van eentonigheid te bewaren.
Het best zal men hem waardeeren, wanneer men een paar uitgelezen plaatsen uit zijne werken bijeenbrengt.
Onder de beste reken ik het volgende.
In de eerste plaats geef ik den aanhef van "_Wiege-Mie_", een der oudste en aantrekkelijkste der Overbetuwsche novellen:
"Hei je 't neis uut 't darp al geheurd?" vroeg de daglooner Peter Janssen aan zijne vrouw, die bezig was om voor haar vermoeiden echtgenoot de avondpap op te zetten. "Hei je 't al geheurd, Net, hoe miseroabel gauw de weduwvrouw van Cloas Hermsen hoar man is noagestapt?"
"Wàt zei je!" riep de huismoeder verbaasd, terwijl ze den aarden schotel met pap op tafel zette. "Is manke Heintje dood? Wel jong, jong, die twee hebben mekoar dan niet lang allinnig geloaten. Cloas is van de leinte gesturven en Heintje,--da's nou krek zes moanden loater! Jong, jong, 't is veur Wiege-Mie 'en heel ding, woar mot ze noa toe? ze het niks, geen spier; neejen en breien kan ze, moar da's alles, en ik geleuf niet, dat ze 't nog al te best duut.--Nou, stil, bloagen!" vervolgde vrouw Janssen, hare vier spruiten toesprekende, die hunkerend de roggemeelpap zagen dampen; "Moeder kan niet alles tegeliek! Hè'k nou ooit van m'n lêven! ze zal zoo um de vieftig zin gewêst en Wiege-Mie was met Sint-Jan achttien joaren in 't darp. Loawwe erst bidden, Peter, de kienders drammen en sjenken, da'k m'n iegen woorden niet heuren kan!"
Janssen nam het pijpje uit den mond, drukte de pet voor de oogen en vrouw Janssen gaf haar oudsten telg een duw, met een dreigenden wenk, om de oogen dicht te doen.
Men bad.--Peter bad ernstig met een dankbaar hart. Willem, zijn buurman, had zulk heerlijk avondeten niet voor zijne vrouw en kinderen. Zijn gebed was reeds geëindigd, maar, toen hij over den rand van zijne pet de wangen van zijne goede vrouw en de kinderen beschouwde, toen deed hij de oogen weer dicht en zei nog eens: "Ik dank u, goede en groote God, amen!"
Behaagt hier de eenvoud in de kleine landelijke woning, scherper wordt de toon van den dichter, als hij in "_Fabriekskinderen_" den rijken, edelmoedigen student tegenover het tienjarig straatjongetje zet, in den winternacht slapende op eene stoep gevonden. De student redde het kind van doodvriezen, nam het in zijne armen naar zijne kamer en legde het in zijn ledikant. Met de uiterste oplettendheid waakte de student voor zijn pleegzoon. Hij liet hem uitslapen, trok hem eene oude overjas aan en sloeg de mouwen tot vrijmaking van de handjes, halverwege om. Daarna zet hij hem op de sofa van zijne studeerkamer en overlaadt hij hem met krentenbroodjes en waterchocolade. De arme duivel van een fabrieksjongen zet groote oogen op:
--"Ben jij 'en prins?" klinkt het zachtkens van Sanders lippen, en het jongske, wiens vrees na het kostelijk onthaal voor een groot deel was geweken, werpt een schuwen blik op zijn gastheer, doch slaat de oogen ook aanstonds weer neer.--"Ik? wel nee!" lacht Willem, uit zijn gemijmer ontwakende, "maar, als ik het was, zou je dan wel altijd bij zoo'n prins willen blijven?"--"Jawel" zegt Sander.--"Waarom?"--"Om ditte!"--zegt de jongen en likt nog langs den rand van den grooten chocoladekop. "Hadtje dit nooit geproefd?"--Het ventje grinnikt, alsof hij wil zeggen: "Dat kun je begrijpen."--"'k Dacht eerst, dat het mosterd was," zegt hij iets later.--"Mosterd?"--"Ja, die haalt moeder in een potje, en 's middags, als we van 't febriek kommen, dan krijgen we aardappels met zoo'n beetje mosterd in 't water."--"Niets anders?"--"Ja, soms wel een scheutje azijn. Vader en moeder eten spek, maar da's gallig voor de kinders, zeit moeder."--"Beesten!" roept Willem.--Neen, Sander, schrik maar zoo niet, dat geldt niet u of een van uws gelijken; hoor maar, hij vraagt u weer vriendelijk:--"En hoe heet je vader?"--"Dat weet ik niet," is het antwoord.--"Maar, jij, hoe heet jij?"--"_Sander Zwarte_."--"En wat doet je vader?"--"Hè, hè," grinnikt de jongen: "moeder zeit zuipen."--"Maar wat is hij dan van zijn ambacht?"--"Ambacht?" grinnikt het kind.... daar had hij nooit van gehoord.--"Waar verdient hij zijn centen mee?"--"Dat doen wellui."--"En hoe oud benje al, ventje; benje al zeven?"--"Ikke," zegt het jongske, "ikke ben tien."
The book keeps going
Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.



Scenes Storieta drew for other classics.
New illustrated classics
Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.