Public-domain ebook
Een verlaten post
Language: nl3,563 downloads on Project Gutenberg
Subjects
In: Novels
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #27555.
Public-domain ebook
Language: nl3,563 downloads on Project Gutenberg
Subjects
In: Novels
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #27555.
Dit werk is een Nederlandse roman die zich richt op de innerlijke belevingswereld van een jong meisje, Renée, die in een stormachtige avond haar afscheid van de trouwe hond Caesar en van een vertrouwde, landelijke omgeving moet verwerken. De opening schildert een sombere, bijna schilderachtige scène: hoge populieren buigen zich in de wind, grauwe wolken drijven over een verlaten straat, en een oude stal wordt omschreven met kastanjebomen die hun vruchten op het dak laten vallen. Renée, omgeven door herinneringen aan haar vader, haar boeken en haar dierbare huisdieren, worstelt met de onvermijdelijke scheiding en de belofte om haar dierbare viervoeter achter te laten. De tekst weeft een sfeer van melancholie en nostalgie, waarbij elk detail – van de kloppende harten van de honden tot de stille doodskist in een slaapkamer – een gevoel van verlies en overgang oproept.
De vertelstem is rijk aan beschrijvende, bijna poëtische zinnen die de 19e‑eeuwse Nederlandse proza‑stijl weerspiegelen. Het taalgebruik is plechtig en gedetailleerd, met lange, samengestelde zinnen die de innerlijke monoloog van Renée laten resoneren. Lezers die houden van psychologisch getinte literatuur, waarin sfeer en emotie centraal staan, en die zich aangetrokken voelen tot historische settingen en een introspectieve, lyrische benadering, zullen dit boek bijzonder boeiend vinden.
The opening · free to read
Hare groote droeve oogen bleven droomerig naar buiten staren. De hooge populieren en ranke dennen, haar zoo welbekend, bogen hunne toppen voor den stormwind en richtten zich dan ruischend weer op. Daar boven gleden de wolken onrustig voort, doorzichtig en ijl, in alle tinten van grijs en grauw. Op den straatweg liepen nog enkele voorbijgangers, het hoofd gebogen tegen de wilde stormvlagen, die telkens loeiend uit de verte naderden en dan voorbijgierden om in de schemering weg te ijlen.
Het was geen aantrekkelijk schouwspel, maar met een weemoedigen, liefdevollen blik dwaalde haar oog ver en nabij, tot het bleef rusten op den kleinen, schilderachtigen stal, waarvan zij juist een gedeelte zien kon;--en zij keek naar de geel-en-bruine kastanjeboomen, die nu hunne glanzende vruchten bij dozijnen op het dak van den stal lieten neerregenen; naar de paardenkoppen, in den gevel aangebracht, die nu zoo treurig voor zich uitstaarden, als wisten zij dat zij spoedig weer een nieuwen meester krijgen zouden; en naar Toon den koetsier, tevens huisknecht, die in zijne lange, fladderende, zwart linnen staljas en op klompen naar buiten kwam. Maar zij zag eigenlijk niets, want zij dacht aan de welbeminde viervoeters daarbinnen....ach, ook hen zou zij moeten vaarwel zeggen, hen en den armen trouwen Caesar, die nu nog aan hare voeten lag uitgestrekt.
Tranen gleden langs hare wangen, vonkelend in den vuurgloed. De paarden waren tenminste nog jong, maar de arme Cae, reeds tien jaren haar dagelijksche metgezel, wie zou hem voortaan liefhebben als zij!
Zoo graag zou zij hem medegenomen hebben. Maar tante had geantwoord dat, "als het kon," moest zij hem liever achterlaten; in een stadswoning was zulk een groote hond zoo lastig.
"Als het kon."--Neen, het kon eigenlijk niet, het moest alleen.... Tante's liefde mocht zij niet in de waagschaal stellen ter wille van eigen wenschen.
En zij bleef zitten peinzen, weer starend in het opvlammende vuur, de handen in den schoot gevouwen,--kinderhanden, ietwat te bruin, maar welgevormd, met Slanke, spits toeloopende vingers. Kinderlijk was hare geheele gestalte, van het fijnbesneden, frissche gezichtje en de lange bruine vlecht op haar rug, tot haar slanke heupen en onafgeronde vormen; en zooals zij daar zat in hare jeugdige schoonheid en beschenen door den vollen gloed van het vuur, vormde zij een vreemd contrast met het sombere vertrek met zijne vele schaduwen en duistere hoeken, zijne ledige stoelen, als wachtende op gebruik, zijne sprakelooze beelden, zijne schilderijen, uit het krijgsmansleven genomen, degens, geweren en jachttropeeën aan den wand en andere versieringen, die er alle uitzagen als waren zij bezielde wezens, die veel dachten en veel zouden kunnen zeggen als zij wilden.
Eindelijk stond zij op en verliet de kamer. Een groote hond volgde haar met loggen gang, kop en staart neerhangend. Eerst op de trap hoorde zij zijne nagels tikken op het hout, en zij stond stil om hem te liefkoozen. Zij zette zich op een der treden neder en drukte zijn grooten kop tegen haar gezicht.
"Arme Cae! gauw kun je mij niet meer naloopen.... En wij zijn toch zoolang kameraden geweest!.... Weet je nog hoeveel hij van je hield en hoe trotsch hij op je was, omdat je van het echte soort waart? Hij gaf je niet, hoeveel men ook voor je bood. Weet je 't nog?"
Hij wist het ontwijfelbaar zeer goed, want zij had het hem reeds dikwerf met stralende oogen verteld in de dagen, toen zij nog samen het veld inrenden of in het grasperk stoeiden en buitelden; maar hij antwoordde slechts door een vriendelijk gekwispel.
"Kon jij ten minste maar meegaan! Jij weet overal van. Ik zou over alles met je kunnen praten, over pa en over den tuin en over onze heerlijke wandelingen; over al de oude kennissen hier en over het oude huis. Och, Cae, dat zal wel gauw weer verhuurd zijn. Kan je dat gelooven, dat hier andere menschen wonen zullen?.... Ga maar mee," vervolgde zij opstaande. "Neem ook maar afscheid; het is voor het laatst."
Op de bovengang zag zij rond en luisterde,--neen, er was niemand. De dienstboden waren liever beneden in de gezellige keuken dan in de nabijheid eens dooden en de huishoudster zou wel druk bezig zijn met inpakken.
Behoedzaam opende zij een der talrijke deuren op de bovengang en sloot die ook weer achter zich toe. Het vertrek waarin zij zich nu bevond, was een slaapkamer, zooals de meubels aanduidden; maar in het midden stond op schragen een lijkkist en daarin lag een doode uitgestrekt.
Het was een man in den herfst van 't leven, vijftig jaren oud misschien. Zeker had hij weinig gedacht te zullen sterven, maar zijn gelaat droeg nu geen sporen van zorg of bekommering meer. Er lag vrede op en goedheid en teederheid, zooals die zijn leven lang er zich op hadden afgespiegeld.
En zij dacht weder aan die laatste uren, waarin hij zich zoo onrustig en gejaagd getoond had,--om harentwil misschien of omdat hij begon te gevoelen, dat hij sterven moest....
Zij weende niet, doch stond maar stil te staren op dat dierbare gelaat, terwijl duizend zoete herinneringen haar weder bestormden en buiten de wind aan de zonneblinden rukte en de dakgooten rumoerig kletterden. Eerst toen zij een langen kus op een der kille handen had gedrukt, een kus, die een wereld van liefde en dankbaarheid bevatte--en met stijf opeengeklemde lippen de kamer had verlaten, barstte zij los in een wild, hartbrekend geween.
"Voor het laatst!" snikte zij, en wierp zich in een ander vertrek in hare volle lengte op den grond.
"Och Cae, och Cae!" zeide zij maar steeds, met beide armen den hond omklemmend, die zich bij haar hoofd liefkoozend had neergevlijd. "Och Cae, och Cae!"
En zij ging maar voort op hartstochtelijken toon zijn naam te zeggen en daarmede, naar het scheen, al haar leed uit te storten, want na eenigen tijd werd zij rustiger, legde hare kin op hare gevouwen handen en bleef stil peinzend voor zich uit zien....
Zij dacht aan het nieuwe leven, dat haar wachtte daarginds in die groote stad, onder bijna vreemde menschen, en bereidde er zich angstig op voor.... Maar het was immers de laatste wensch van haar stervenden vader geweest, dat zijn eenige broeder haar tot zich nemen zou. In den tijd van enkele uren was alles beslist geweest; een telegram heen, een telegram terug,--en, rustig had de stervende de moede oogen gesloten.
"Vaarwel, mijn lief heiligdom!" zeide zij zacht, terwijl zij het vriendelijk vertrekje rondzag. "Als hier andere menschen wonen, denk dan nog eens aan de kleine Renée."
Hoe gelukkig was zij hier geweest, hoe zorgeloos hier ingeslapen, hoe tevreden ontwaakt! Hier waren hare boeken, hare geliefkoosde gravuren, hare reissouvenirs, hare gedroogde bloemen en snuisterijen. Hier was zij omringd geworden door duizenden blijken van de liefde eens vaders, wiens afgod zij was.
Al deze kleine schatten zouden haar vergezellen; wat oom wilde medenemen (doch dat bepaalde zich bijna geheel tot eenige familiesouvenirs) zou ook met haar gaan;--maar dat zou dan ook het eenige zijn wat haar zou herinneren aan de oude, dierbare woning. Al het andere zou gemakshalve verkocht worden.
"Jij blijft ten minste bij Toon," zeide zij met gebroken stem tot den hond, en terwijl zij bij hem neerhurkte en zacht snikte, terwijl zij sprak, geleek zij meer dan ooit een kind. "En hij heeft mij beloofd dat hij goed voor je zorgen zou.... Als ik trouw, Cae,--en ik zal erg mijn best doen er als een jonge dame uit te zien, dan trouw ik eerder--ga ik in een eigen huis wonen, zie je, en dan schrijf ik dadelijk om je, hoor! Dat beloof ik je vast. Kijk altijd maar uit als het tijd is dat oude Peter met de brieventasch komt; eenmaal zal mijn brief er bij zijn."
Hij kwispelde zacht; blijkbaar was hij zeer gelukkig met haar belofte.
Een andere deur voerde haar in een vertrek, dat blijkbaar tot studeerkamer had gediend. Boekenkasten stonden in het rond en in het midden tusschen de vensters was een groote schrijftafel geplaatst, bedekt met papieren en brochures.
Aan dat kleinere tafeltje ginds was haar plaats altijd geweest. Bijna alles wat zij wist, had zij van haar vader geleerd; en zij zag zich weer als klein meisje over haar boeken gebogen, nu en dan heimelijk uitkijkend naar de zonnige wereld daarbuiten, of glurend naar hare witte duiven, die op de vensterbanken te kirren of klapwiekend wegvlogen hoog in de lucht, een zilverwitte stip tegen den blauwen hemel.
Hier ook had hij haar leeren genieten wat de beste dichters en schrijvers de menschheid boden. En als de studie-uren voorbij waren, was zij met hem veld of bosch ingegaan, en hij was kind geweest met haar. Hij had de eerste lentebloemen met haar gezocht en braambessen en beukenoten; of meikevers en vlinders met haar gevangen, al naar het jaargetijde medebracht. Hij had haar het schoone leeren zien en liefhebben, tehuis zoowel als op reis; hij had haar leeren spelen en zingen en rijden.... o, hoe bedrijvig en prettig had hij iederen dag van haar leven voor haar gemaakt!
Zij trad aan het venster en zag naar den slingerenden landweg, waar zij dien laatsten keer geloopen hadden, nu juist veertien dagen geleden.... Ach, die vreeselijke veertien dagen!
Onbewust van eenig naderend onheil was zij aan zijn arm, zoo heerlijk veilig en vertrouwelijk, dien weg opgewandeld. Het was een van die herfstdagen, wanneer boomen en planten zich nog eens overvloedig koesteren in den warmen zonneschijn. Nu en dan daalde langzaam en onhoorbaar een goudgeel boomblad neer, kantelend om en om in de zoele lucht, als nam het onwillig afscheid van zijn zomerleven; en de stammen zelf schenen overtrokken met bronskleurig fluweel, zacht glanzend in het zonnelicht. De paarden stonden roerloos in de weilanden, zich de vliegen afslaande met hunne staarten, juist alsof het nog zomer was, en boven de slooten dansten muggen. O, hoe anders dan nu!.... Was dat alles werkelijk pas veertien dagen geleden?
Zij was zoo aan hem gewoon geweest en aan scheiden had zij nog nooit gedacht, nooit kunnen denken. Maar nu was hij haar toch van het hart gescheurd en dat hart lag als gestorven in hare borst.
Hoe ledig scheen de wereld haar, nu er niemand meer leefde, die haar beminde of zelfs maar toebehoorde. Het leven lag als een last op hare schouders.
Hoe onzinnig dat die dorpsklok daar nu sloeg en dat alle klokken en pendules in huis haar nasloegen! Halfzes.... etenstijd. Waarom moest men eten, waarom wilde men den tijd kennen....?
En somber en afgemat ging zij de trappen weer af naar de huiskamer, waar nu licht was ontstoken en een gedekte tafel haar wachtte. Maar zijn vriendelijk gezicht zou haar nooit meer welkom heeten en aan tafel nooden. Nooit zou zij hier meer voor hem zingen (de ouderwetsche, militaire liederen, hem dierbaar bovenal) en dan zijn vroolijk "bravo!" hooren. Nooit meer in de schemering bij het vuur met hem zitten keuvelen, of in de winteravonden--terwijl buiten de sneeuw onhoorbaar neerzweefde--luisteren naar zijn heerlijk voorlezen.... Ach, het was nu alles, alles voorbij!
II.
"Ik begrijp niet waar je die gratie vandaan hebt, kind!" zeide mevrouw Gerlings met hare kwijnende stem, terwijl zij nog een gaslicht ontstak om Renée beter te kunnen zien. "Zeker van je mama: zij was ook net een veertje."
The book keeps going
Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.



Scenes Storieta drew for other classics.
New illustrated classics
Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.