Public-domain ebook
Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Eerste deel
by Anonymous
Language: nl219 downloads on Project Gutenberg
Subjects
In: Adventure·Mythology, Legends & Folklore
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #45874.
Public-domain ebook
by Anonymous
Language: nl219 downloads on Project Gutenberg
Subjects
In: Adventure·Mythology, Legends & Folklore
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #45874.
The opening · free to read
Duizend en één Nacht.
ARABISCHE VERTELLINGEN.
NAAR DE BESTE BRONNEN VOOR ONZEN TIJD BEWERKT.
EERSTE DEEL.
AMSTERDAM, Gebrs. KOSTER. 1882.
DUIZEND EN ÉÉN NACHT.
ARABISCHE VERTELLINGEN.
INLEIDING.
In de kronijken der aloude Perzische koningen, wier gebied zich van de grenzen van China tot aan den Ganges in Indië uitstrekte, leest men van eenen vorst, die den roem van zijn stamhuis tot den hoogsten luister opvoerde. Deze had twee zonen, waarvan de oudste, Schahriar genaamd, door zijne dapperheid en deugden beloofde eenmaal den waardigen opvolger van zijnen beroemden vader te zullen worden. Zijn jongere broeder Schahzenan was mede een prins van groote verdiensten.
Toen de oude koning na eene lange en gelukkige regering overleed, besteeg Schahriar den troon. Schahzenan door de wetten des rijks van alle regering buiten gesloten en verpligt om als een gewoon burger te leven, benijdde echter zijnen broeder deszelfs hooge magt niet, maar gaf zich integendeel alle moeite om met hem op eenen goeden voet te leven. Het kostte hem weinig inspanning aldus te handelen. Schahriar, van nature met eene hartelijke genegenheid voor zijnen broeder bezield en voldaan over diens edel gedrag, besloot zijn rijk met hem te deelen, en beschonk hem met het koningrijk van Groot-Tartarije. Schahzenan vertrok weldra om zijn rijk in bezit te nemen, en vestigde zijnen zetel te Samarcande.
Tien jaren waren sedert deze scheiding der beide koningen voorbijgegaan, toen Schahriar, door een' onverwinnelijken lust bezield om zijnen broeder te zien, zijnen eersten vizier met een talrijk gevolg naar Samarcande zond, om den koning van Tartarije tot een bezoek uit te noodigen.
Toen de vizier de hoofdstad naderde, ging Schahzenan, van de komst des gezants onderrigt, hem te gemoet, door zijne voornaamste hovelingen vergezeld, die, om den sultan meer eer te bewijzen, allen op het prachtigst waren uitgedost. De koning van Tartarije ontving het gezantschap met alle blijken van vreugde, en vroeg met levendige belangstelling naar den welstand van den sultan zijn' broeder en andere op hem betrekking hebbende zaken. De vizier aan de weetgierigheid des konings voldaan en met hem het verlangen zijns meesters bekend gemaakt hebbende, gevoelde Schahzenan zich zeer getroffen wegens dit vernieuwde blijk van broederlijke genegenheid. „Vizier,” zeide hij, „mijn broeder de sultan doet mij te veel eer aan, en hij zou niets hebben kunnen verlangen dat mij aangenamer is. Begeert hij mij te zien, ik koester geen' anderen wensch. Heeft de tijd zijne genegenheid niet kunnen verminderen, de mijne voor hem is nog onverzwakt. Mijn rijk is rustig en ik verlang slechts tien dagen ter regeling van mijne zaken, ten einde met u de reis te aanvaarden. Het is dus voor een kort verwijl niet noodig, dat gij uw verblijf in mijne hoofdstad neemt of verder trekt. Sla hier uwe tenten op, ik zal last geven dat men u en uw gevolg rijkelijk van levensmiddelen en verfrisschingen voorzie.” Hieraan werd met spoed gevolg gegeven. Nog niet lang was de koning binnen Samarcande teruggekeerd, toen de vizier reeds een lange trein van slaven zag naderen, die op gouden en zilveren schotels allerlei kostelijke spijzen of rijke geschenken voor den gezant op het hoofd droegen, en, zich op eene knie buigende, hem tevens gedurende zijn verblijf hunne diensten aanboden.
Schahzenan zijne zaken binnen den door hem gestelden tijd geregeld en een' raad gekozen hebbende, die gedurende zijne afwezigheid den grootvizier zou ter zijde staan, opdat het land met wijsheid mogt geregeerd worden, nam nu een hartelijk afscheid van de koningin, welke hij zeer lief had, en verliet met zijn reisgezelschap de hofstad.
Het was toen avond en na tot middernacht in het pavilloen, dat in het kamp voor hem was opgeslagen, met den gezant zeer belangrijke en aangename gesprekken te hebben gevoerd, besloot de koning zich ter rust te begeven. Doch nauwelijks was de gezant vertrokken, of Schahzenan, nu aan zijne gemalin denkende, kwam tot andere gedachten, en het viel hem in de koningin vóór zijn vertrek nog een bezoek te brengen. Dadelijk keerde hij naar Samarcande terug, trad geheel alleen en zoo stil mogelijk den harem en het vertrek van zijne gemalin binnen, welke hij door zijne zeker niet verwachte komst eene blijde verrassing wilde verschaffen. Haar vertrek echter binnentredende, doet hij een stap terug en blijft als aan den grond vastgenageld staan, toen hij haar in gezelschap van een zijner officieren zag.
„Wat,” zegt de koning, tot zich zelven komende, „naauwelijks heb ik dit paleis verlaten, bevind mij nog onder de muren van Samarcande, en men waagt het reeds mij aldus te honen? Ha! trouwelooze, uwe misdaad zal niet ongestraft blijven. Als koning rust de pligt op mij de misdrijven, die er in mijn rijk plaats hebben, te straffen; als beleedigd echtgenoot voel ik mij genoopt u aan mijne regtmatige wraak op te offeren.” De ongelukkige vorst, aan den eersten indruk van zijnen toorn gehoor gevende, trekt zijn zwaard en met een' enkelen slag doet hij de schuldigen hun leven eindigen. Daarna neemt hij de lijken der verslagenen, en werpt ze uit eene der vensters in de gracht, die het paleis omgeeft.
Na deze eigenhandige regtspleging verliet de koning van Tartarije het paleis en de stad even stil als hij er in was gekomen, en begaf zich naar zijn pavilloen terug. Kort daarop, zonder tot iemand over het voorgevallene te spreken, gaf hij bevel de tenten op te breken en te vertrekken. Spoedig was alles gereed en nog vóór dat de dag aanbrak werd de reis begonnen, onder het geschal van onderscheidene muzijk-instrumenten. Doch dit mogt alle anderen tot vreugde stemmen, de koning kon er niet in deelen. De vorst, de gedachte aan de ontrouw zijner gemalin niet van zich kunnende zetten, verviel in eene diepe droefgeestigheid, welke hem gedurende de geheele reis bijbleef.
Toen hij de hoofdstad van Indië naderde, kwam de sultan Schahriar hem met zijn geheele hof te gemoet rijden. Groot was de vreugde des wederziens. Beiden stegen af, omhelsden elkander regt broederlijk, en eerst na vele blijken van de meest ongeveinsde genegenheid, klommen zij weder te paard en reden naar de stad, waar zij door een groot deel der talrijke bevolking onder blij geschal werden ingehaald.
De sultan van Indië liet ter eere van zijnen broeder vele prachtige feesten aanrigten, doch Schahzenan bleef daar geheel ongevoelig voor, en zoo groot was zijne neêrslagtigheid, dat zulks de aandacht van den sultan niet ontging. Daar hij zich niets te verwijten had en al het mogelijke deed om het verblijf aan zijn hof voor zijnen broeder aangenaam te maken, vermoedde hij dat deze te veel aan de zaken zijns rijks of aan de koningin dacht en daarom bij hem geen genoegen kon vinden. Schahriar was te grootmoedig om zijn' broeder tegen diens zin bij zich te willen houden, en besloot alzoo de geschenken, welke hij voor hem bestemd had, aan hem te zenden, een bewijs dat hij vrijheid had naar zijne staten terug te keeren, zoodra hem dit zou goeddunken. Vooraf echter liet hij eene groote jagtpartij aanrigten, meenende dat dit vorstelijk vermaak den koning van Tartarije welligt beter zou behagen dan de hoffeesten, ter zijner eere gegeven. Doch Schahzenan verontschuldigde zich met eene ongesteldheid en verzocht verlof zijne kamers te mogen houden. „Ik ken mijn' broeder niet meer,” sprak de sultan bij zich zelven, „vroeger had hij alle hoffelijkheid voor mij, maar thans schijnt hij op mijne genegenheid weinig prijs meer te stellen en geheel vergeten te zijn, dat hij alleen aan mijne broederlijke liefde zijne hoogheid en zijn rijk te danken heeft.” En nadenkende over de ondankbaarheid der menschen en hoe spoedig eene ontvangen weldaad dikwijls wordt vergeten, reed hij, weemoedig over deze ondankbaarheid van zijnen liefsten bloedverwant, alleen en slecht gestemd ter jagt, zonder verder bij zijnen broeder aan te dringen of hem in zijne vrijheid hinderlijk te willen zijn.
Schahzenan sloot zich in zijn vertrek op, ten einde zich ongestoord aan zijne droefgeestige gedachten te kunnen overgeven. Zelfs de prachtige lusthof, waarin hij uit zijn venster het gezigt had, de schitterende bloemenpracht en het liefelijk gezang van honderden vogelen, die vrolijk in de olijf- en oranjeboomen rondfladderden en hun avondlied neurieden, waren niet in staat hem uit zijne treurige overpeinzing op te wekken. Terwijl hij aldus werktuigelijk en zonder eenig gevoel voor al dit schoone in den hof staarde, kwam het hem voor, dat een verborgen poort, die zich in den muur bevond, welke den hof omsloot en die met het paleis des sultans gemeenschap had, geopend werd, en hetgeen hij nu zag moest zijne aandacht wel trekken. Een twintigtal vrouwen, in welker midden zich de sultane bevond, welke aan hare prachtigste kleeding en fiere gestalte ligtelijk te onderscheiden was, traden plotseling den hof binnen. De prinses, in de vaste overtuiging zijnde, dat de koning van Groot Tartarije zich met den sultan ter jagt bevond, naderde zonder eenige beschroomdheid tot onder het venster van zijn vertrek. Schahzenan, nieuwsgierig het gelaat der koningin te zien, welke zich vermoedelijk weldra van den sluijer, die hare majestueuse gestalte verborg, zou ontdoen, plaatste zich zoo, dat hij alles kon zien, zonder vrees van ontdekt te worden. Hij werd, met de gebruiken van het serail bekend zijnde, in zijne verwachting niet bedrogen, de koningin legde haren sluijer af, terwijl de overigen zich van het lange opperkleed, dat zij over een kort kleed droegen, ontdeden. Doch hoe groot was de verbazing des konings, toen hij zag dat zich onder dit gezelschap, hetgeen alleen uit vrouwen mogt bestaan, tien zwarte slaven bevonden, die zich elk bij eene der vrouwen voegden. De onbetamelijkheid van eene dergelijke handelwijze deed aan Schahzenan genoeg zien, om zich te overtuigen, dat de sultan zijn broeder niet minder te beklagen was dan hij. De vrouwen en slaven vermaakten zich tot middernacht, waarna zij door dezelfde geheime poort in het paleis terugkeerden. Terwijl dit alles onder de oogen des konings van Groot Tartarije plaats greep, kwamen er verschillende gedachten bij hem op: „Ben ik niet een groote dwaas,” sprak hij tot zich zelven, „te gelooven, dat mijn ongeluk zoo eenig is! Het is ongetwijfeld het algemeen lot der mannen, door hunne vrouwen bedrogen te worden, daar de Alleenheerscher over zoo vele magtige staten, de grootste koning des aardbodems zich daarvoor niet heeft kunnen vrijwaren. Dit zoo zijnde, welk eene dwaasheid is het dan, mij door eene zoo algemeene zaak van verdriet te laten overheerschen! Mijn besluit is genomen; de herinnering aan een ongeluk, waarin zoo velen met mij moeten deelen, zal in het vervolg mijne rust niet meer verstoren.” Van dat tijdstip af zocht de koning van Tartarije zijne droefheid, waarvan hij nu de dwaasheid inzag, te bestrijden, en hij slaagde daarin volkomen. Dien avond, voor het eerst na de ontrouw zijner gemalin, liet hij zich het avondmaal, dat, hij thans beval op te dragen, zeer goed smaken, en bragt eenen zoo rustigen nacht door, als dit in langen tijd het geval niet was geweest.
The book keeps going
Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.



Scenes Storieta drew for other classics.
New illustrated classics
Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.