DUIZEND EN ÉÉN NACHT.
Duizend en één Nacht.
ARABISCHE VERTELLINGEN.
NAAR DE BESTE BRONNEN VOOR ONZEN TIJD BEWERKT.
TWEEDE DEEL.
AMSTERDAM, Gebrs. KOSTER. 1882.
GESCHIEDENIS VAN DE VIJF DAMES VAN BAGDAD.
GESCHIEDENIS VAN ZOBEÏDE.
„Beheerscher der geloovigen,” ving Zobeïde aan, „de geschiedenis, welke ik uwe Majesteit heb te verhalen, is eene der zonderlingste, waarvan men ooit gehoord heeft. De twee zwarte honden en ik, wij zijn drie zusters van de zelfde ouders, en ik zal u mededeelen, door welk vreemd toeval zij in honden veranderd zijn.
De twee dames die bij mij wonen, en die gij hier bij mij ziet, zijn ook mijne zusters van (den zelfden) vader, maar van eene andere moeder. Zij, die den boezem vol lidteekens heeft, draagt den naam van Amine, de andere heet Safie, en ik Zobeïde.
Na den dood van onzen vader werd zijne nalatenschap onder ons verdeeld, en toen mijne beide half-zusters haar aandeel ontvangen hadden, scheidden zij van ons, en gingen afzonderlijk wonen met hare moeder. Mijne eigene zusters en ik bleven bij onze moeder inwonen tot aan haren dood; zij liet ieder onzer duizend sequinen na.
Korten tijd daarna traden mijne beide oudste zusters, want ik ben de jongste, in den echt, volgden hare mannen, en lieten mij alleen achter. Niet lang na haar huwelijk, maakte de man van mijne oudste zuster al zijne goederen tot geld, en vertrok met zijne vrouw naar Afrika. Hier verkwistte hij spoedig, door goede sier te maken en door een losbandig leven te leiden, zijn eigen geld en dat wat mijne zuster mede ten huwelijk had gebragt. Toen hij zich tot de diepste armoede gebragt zag, zocht hij naar een voorwendsel om haar te kunnen verstooten, en joeg haar weg.
Na eene lange reis, waarop zij met bijna ongeloofelijke rampen had te worstelen, kwam zij in Bagdad terug, en zocht bij mij hare toevlugt in eenen toestand zoo medelijdenswaardig, dat het hardste gemoed er door zou zijn bewogen geworden. Ik ontving haar met al de toegenegenheid, welke zij van eene zuster kon verwachten, en vraagde haar, door welke omstandigheden zij in zulk een' ongelukkigen toestand was gebragt. Zij begon daarop bitter te schreijen, en maakte mij bekend met het slechte gedrag van haren man, en met de onwaardige wijze waarop hij met haar had gehandeld. Ik was zoo getroffen over haar ongeluk, dat ik niet kon nalaten met haar te weenen. Vervolgens deed ik haar in het bad gaan, gaf haar eenige van mijn eigene kleederen en zeide: „Lieve zuster! gij zijt ouder dan ik en ik beschouw u als mijne moeder. In uwe afwezigheid, heeft de hemel de weinige goederen, die mij ten deel waren gevallen, vermeerderd, en het aankweeken van zijdewormen, heeft mij goede winsten opgeleverd. Verlaat er u op dat ik niets heb, wat niet tevens het uwe is, en waarover gij niet even als ik kunt beschikken.”
Wij woonden te zamen en leefden gedurende vele maanden in de volmaaktste eensgezindheid. Dikwijls spraken wij over onze derde zuster, en het bevreemdde en verontrustte ons, dat wij niets van haar vernamen. Op zekeren dag echter stond zij eensklaps voor mij, en dit in een' even ellendigen toestand, als waarin ik mijne oudere zuster had teruggevonden. Haar man had haar op eene gelijke wijze behandeld en eindelijk weggejaagd. Ik nam haar met liefde in mijne woning op.
Op zekeren tijd kwamen mijne zusters bij mij, en er zich op beroepende, dat zij vreesden mij tot last te zijn, zeiden zij, plan te hebben om te hertrouwen. Ik gaf haar te kennen dat, indien zij geene andere reden hadden, dan vrees van mij tot last te zijn, zij gerust bij mij konden blijven, daar mijn vermogen en mijne verdiensten toereikend waren, om ons alle drie, overeenkomstig onzen stand, te onderhouden. „Maar,” voegde ik er bij, „ik vrees veeleer; dat gij werkelijk lust hebt te hertrouwen. Indien dit zoo is, moet ik bekennen, dat het mij zeer verwondert. Hoe toch kunt gij, na hetgeen gij in uw eerste huwelijk hebt ondervonden, naar een tweede haken. Het is u immers gebleken, hoe bezwaarlijk het is een' man te vinden, die onze liefde in alle opzigten waardig is. Gelooft mij, het zal beter voor u en ook voor mij zijn, indien wij te zamen blijven wonen, en voortgaan elkander het leven zoo aangenaam te maken, als mogelijk is.”
Alles wat ik mogt inbrengen, bleef echter zonder uitwerking. Zij hadden besloten te hertrouwen en volvoerden haar voornemen. Maar na verloop van slechts eenige maanden kwamen zij terug, en vraagden mij duizendmaal verschooning, omdat zij mijnen raad niet hadden gevolgd. „Gij zijt onze jongste zuster,” zeiden zij, „maar gij zijt verstandiger dan wij. Indien gij de goedheid wilt hebben, ons andermaal in uwe woning te ontvangen, zoo beschouw ons als uwe slavinnen, en wij zullen ons in het vervolg wel wachten, wijzer te willen zijn dan gij, en ons eigen dwaas hoofd te volgen.” „Lieve zusters,” zeide ik, „onze laatste scheiding heeft aan mijne genegenheid voor u niets veranderd; gij zijt mij welkom, en wat ik bezit, beschouwt dat ook als het uwe.” Ik omhelsde haar, en wij bleven weder te zamen wonen.
Gedurende een jaar leefden wij in volkomene eendragt; door de gunst des hemels nam mijn klein kapitaal zoo zeer toe, dat ik mij in staat zag gesteld, een handel van meer omvang te ondernemen. Tot dat einde begaf ik mij met mijne zusters naar Balsora, waar ik een tot de reis geheel uitgerust schip voor zeer matigen prijs aankocht, en met de goederen, welke ik uit Bagdad ontbood, bevrachtte. Wij gingen met een' gunstigen wind onder zeil, en weldra kwamen wij door de golf van Perzië in de ruime zee. Hier zetten wij koers naar Indië, en na twintig dagen zeilens zagen wij land. Het was een zeer hooge berg, aan wiens voet wij eene stad bemerkten, die ons zeer groot en aanzienlijk toescheen. Daar er eene frissche koelte woei, liepen wij nog vóór den avond de haven binnen, waar wij het anker lieten vallen.
Ik had niet zoo lang geduld, tot mijne zusters zich gereed gemaakt hadden, om mij te vergezellen. Ik liet mij aan wal zetten en ging regt op de stadspoort aan. Hier vond ik eene talrijke wacht van soldaten, van welke sommige zaten en andere stonden, en die alle met knuppels gewapend waren. Het voorkomen dezer lieden was zoo afschuwelijk, dat ik er van schrikte. Daar ik evenwel spoedig bemerkte dat zij zich niet bewogen, en zelfs de oogen niet verdraaiden, herstelde ik mij, trad nader bij, en ontdekte dat zij versteend waren.
Ik ging de stad binnen en verscheidene straten door, doch de menschen die ik zag waren, even als de schildwachten aan de poort, levenloos en versteend. In den bazar vond ik bijna alle winkels gesloten, en in de weinige, die hierop eene uitzondering maakten, waren de zich daarin bevindende kooplieden en winkelbedienden ook in steenen beelden veranderd. Ik zag nu naar de schoorsteenen, maar geen enkel rookwolkje steeg daaruit op, hetgeen mij tot de overtuiging bragt, dat de geheele bevolking dezer stad, zoo wel binnen als buiten de huizen, door eene voor mij onverklaarbare oorzaak, in één oogenblik des tijds, te midden van hare bezigheden in steen was veranderd.
Door nieuwsgierigheid gedreven, kwam ik eindelijk op een groot plein in het midden der stad. Hier zag ik eene groote en hooge poort, waarvan de deuren, die met gouden platen belegd waren, openstonden. Boven de poort hing eene gouden lamp en voor den ingang van het portaal bevond zich een zijden voorhangsel, dat mij belette naar binnen te zien. De prachtige geheel uit wit marmer opgetrokken voorgevel van dit trotsche gebouw, liet mij evenwel geen' twijfel over, of ik bevond mij voor het paleis van den regerenden vorst. Ik ligtte het voorhangsel op; de lijfwachten des konings, die zich in het voorhof bevonden, en zich in verschillende standen aan mijn verwonderd oog vertoonden, stonden zaten of lagen als steenen beelden, en konden mij dus den toegang naar het binnenste van het paleis niet beletten. Eerst kwam ik in een ruim voorhof; hier bevonden zich eene groote menigte hofdienaren van welke de een scheen te komen, de andere te gaan, zonder dat echter een hunner zich van zijne plaats bewoog, daar ook zij versteend waren. Ik ging over een tweede en derde binnenhof, maar overal heerschte de stilte van het graf en eene doodschheid, welke mij deed huiveren.
Het vierde binnenhof overgegaan zijnde, bevond ik mij tegenover een zeer schoon gebouw, waarvan de vensters van massief gouden traliën voorzien waren. Dit scheen mij toe het verblijf van de koningin te zijn. Ik trad het gebouw binnen, en het eerste wat ik zag was de zwarte wacht, vóór de vertrekken van de vorstin. Zij belette mij niet mijn onderzoek te vervolgen, en ik kwam nu in eene zeer prachtige zaal. Hier lag op eene sofa eene dame van uitstekende schoonheid, maar ook in steen veranderd. De gouden kroon, welke zij op het hoofd had, en het snoer parels, grooter dan hazelnoten, om haren hals overtuigden mij dat dit de koningin was.
Mijne oogen konden zich niet verzadigen aan al den rijkdom en al de pracht van dit vertrek. Het tapijt, de kussens en de sofa waren met goud gestikt, en dit met zooveel kunst, dat ik nooit iets dergelijks gezien had.
Van het vertrek der koningin kwam ik in eene andere zaal, welke de vorige nog ver in pracht overtrof. Ik zag daar eene verhevenheid van massief goud met smaragden ingelegd, waarop een praalbed van de rijkste stof, overdekt met eene sprei van de fijnste zijden en met paarlen geborduurd. Doch hetgeen mijne verbazing in nog hoogere mate opwekte was, een fel licht, gelijk dat der zon op hare middag-hoogte, hetwelk mij van het rustbed in de oogen flonkerde. Nieuwsgierig naar de oorzaak van dit wonderlijke licht, klom ik de trappen op, die naar die verhevenheid geleidden, en voorover buigende, zag ik op een voetbankje een' diamant liggen, zoo groot als het ei van een' struisvogel, en met zoo veel kunst geslepen, dat de bekwaamste juwelier dit werk als onverbeterlijk had moeten prijzen. Toen ik den steen in mijne hand nam en tegen het daglicht hield, schitterde hij zoo, dat ik er als door verblind, en het licht van twee aan het hoofdeneinde van het rustbed brandende flambouwen er door verduisterd werd. Deze laatste bijzonderheid echter deed mij de opmerking maken, dat zich in dit paleis, hoe vele versteenden ik daar ook had aangetroffen, toch nog een levend wezen moest bevinden, daar ik niet kon gelooven dat deze flambouwen door eigen kracht ontstoken waren.
Toen nu de hoop bij mij verlevendigd werd dat ik eindelijk in deze eenzaamheid een mensch zou aantreffen, zette ik mijn onderzoek met vernieuwden ijver voort. Ik kwam nog in verscheidene vertrekken, het eene al prachtiger dan het andere, maar wat ik ook zocht, een levend wezen ontmoette ik nergens. Intusschen spoedde de dag ten einde, en ofschoon ik door mijne nieuwsgierigheid mij zelve, mijn schip en mijne zusters had vergeten, begon ik thans toch te begrijpen dat het hoog tijd werd, om naar boord terug te keeren. Ik wilde nu langs denzelfden weg heengaan, maar daar het reeds donker werd, verdwaalde ik in dien doolhof van vertrekken, en het was reeds geheel duister, toen ik weder te regt kwam in de zaal, waar zich het praalbed, de diamant en de brandende flambouwen bevonden.