
Public-domain ebook
In sloot en plas
by Heimans, Eli; Thijsse, Jac. P.
Language: nl429 downloads on Project Gutenberg
Subjects
In: Science - Biology·Nature/Gardening/Animals
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #69169.

Public-domain ebook
by Heimans, Eli; Thijsse, Jac. P.
Language: nl429 downloads on Project Gutenberg
Subjects
In: Science - Biology·Nature/Gardening/Animals
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #69169.
The opening · free to read
Ook de eerste druk van dit deeltje heeft spoediger zijn weg gevonden, dan wij durfden hopen in ons kleine Nederland. Deze tweede is vermeerderd met een aantal nieuwe teekeningen, de gekleurde platen zijn voor de afwisseling door andere vervangen; en er is aan toegevoegd een geïllustreerde lijst voor ’t bepalen van de Nederlandsche waterplanten, ten behoeve van aquariumhouders.
Verder verwijzen wij belangstellende lezers naar de voorrede van den 2den druk van ’t eerste deeltje: Van Vlinders, Vogels en Bloemen.
H. en T.
BIJ DEN VIERDEN DRUK.
Na negentien jaar nog weer een nieuwe druk. En dat van een boekje voor de jeugd. We kunnen tevreden zijn.
H. en T.
BIJ DEN VIJFDEN DRUK.
Helaas heeft mijn vriend Heimans dezen vijfden druk niet mogen beleven van het boekje, dat hij een kwart eeuw geleden met zoo bijzondere voorliefde op touw heeft gezet. Thans is zijn zoon, de heer J. Heimans mij behulpzaam geweest bij ’t nazien.
Thijsse.
I.
Het is voor het late uur nog buitengewoon levendig aan den buitenkant te Amsterdam. Wel zijn de meeste winkels reeds gesloten, want het is reeds zeven uur, en kunstlicht is duur in het midden der 17de eeuw; maar de Mei-avond is zoo zoel en zoo verleidelijk helder, dat de winkeliers en hun bedienden zich gerept hebben, om de luiken voor de ramen te krijgen, en nu met vrouw en kinders, met vrijster, zuster of kameraden, nog een luchtje komen scheppen aan het heerlijke, koele IJ.
Zoo drentelen, kalm en deftig in de wandelpas, talrijke groepjes, soms uit een geheel huisgezin bestaande, uit alle straten der stad den Buitenkant op.
Een der weinige winkels, die nog verlicht zijn, schijnt een bijzondere aantrekkelijkheid te hebben; want de meeste wandelaars wijken, op de hoogte van de Monckelbaens-brug gekomen, van de middelstraat af, zoodra ze dat huis naderen; ze vormen een opeengepakte massa kijkers voor de vensters, zoodat de breede stoep nog te smal is, voor zoo vele nieuwsgierigen; de achterstaanden wachten dan ook maar, tot de voorsten genoeg gezien hebben en opschuiven, om ook hun een kijkje te gunnen.
Toch is het geen winkel, die door schitterende uitstalling koopers kan lokken: het is een gewone apothekerswinkel; maar iedereen weet, dat meester Swammerdam uit de apotheek „De Star” een liefhebber van de natuurlijke historie is, dat hij door kennissen op de schepen uit Oost en West allerlei vreemde dieren en planten laat meebrengen; en tevens—dat hij die dieren, opgezet of op sterk water—voor zijn vensters plaatst, behoorlijk voorzien van naam en toenaam; ja soms met een korte, duidelijk geschreven, meestal wonderbaarlijke levensgeschiedenis van het dier erbij.
Van avond moet het al heel iets bijzonders zijn, dat de apotheker heeft ten toon gesteld; want zij, die een goed plaatsje hebben, blijven, ondanks de warmte in het gedrang voor de ramen plakken, en het vriendelijk verzoek van den meester zelf is noodig, om hen te doen besluiten, eindelijk ook eens plaats te maken voor anderen.
En toch heeft hij ditmaal geen opgezette paradijsvogels, geen apen, slangen of jonge kaaimans ten toon gesteld. Wat zoo elks aandacht boeit, is de inhoud van een groote glazen bak, bijna geheel met water gevuld; in het midden is hij van een puimsteenen rotsje en een kunstig bedacht fonteintje voorzien.
De voorzijde van die bak is vlak tegen het venster geplaatst; van achter en van terzijde schijnt het licht van een paar vetkaarsen door het groenachtige water heen, en uit dat geheimzinnig schemerduister komen zich van tijd tot tijd, tusschen waterplanten en schelpen door, aller-wonderlijkste gedrochten aan de oogen der gapende kijkers vertoonen.
Daar verschijnt met gelijkmatigen pootslag als volleerd roeier, een groote geelgerande kever en maakt jacht op de larve van een mug of een libel; een bloedzuiger kronkelt als een platte slang langs het venster. Salamanders met rood en zwart gestippelde buik en sierlijk gekamden rug, rijzen en dalen statig op en neer, of schieten plotseling vooruit, als zij merken dat een nijdig-kijkend, roodborstig vischje, met drie vinnig-opgezette stekels op zijn rug, het op hun staart gemunt heeft. En reusachtige pikzwarte tor, die door het water nog grooter schijnt, dan hij is, doemt eensklaps uit het duister op, om even aan de oppervlakte te verschijnen en dan snel trappelend, als liep hij door het water, tusschen het kroos of achter het rotsje te verdwijnen. Tusschen het fijne loof van een sierlijke waterplant is een groote spin bezig, zijn zilveren luchtpaleis te bouwen. Op den bodem glijden kokerjuffers in hun wonderlijke kluisjes langzaam over de schelpen en het kiezelzand voort, en tusschen dat alles door krielt en wiemelt het van kleine en groote larven, draaitorren, bloedspinnetjes.
De uitroepen van verbazing, die dit schouwspel aan de kijkenden ontlokt, getuigen van de nieuwheid van zulk een tooneel. Geen wonder: een aquarium was in die tijden iets ongeziens en ongehoords; en de bewoners ervan waren aan de meeste Amsterdammers toen zeker minder bekend dan de tijgers, de apen of de vogels van onze Oost-Indische bezittingen.
De meester heeft dan ook voldoening van zijn werk; zijn opgeruimd gezicht, de bereidwilligheid, waarmede hij alle vragen, de allerdwaaste soms, beantwoordt, bewijzen, dat hij er een genoegen in schept, zijn kennis aan anderen mede te deelen; en ook, dat het niet uitsluitend een 17de eeuwsche reclamezucht was, die hem het aquarium voor zijn venster deed plaatsen, maar in hoofdzaak de liefhebberij van een man, die gaarne eens ziet, dat anderen met bewondering komen kijken, naar hetgeen hij alzoo heeft verzameld.
Het heeft reeds een tijdlang zijn aandacht getrokken, dat één van de vele nieuwsgierigen al buitengewoon geboeid schijnt te worden, door wat de meester heden avond ten beste gaf. Het is een knaap van een jaar of vijftien, zestien. Zijn neus is tegen het vensterglas gedrukt. Zijn oogen trachten tot in het donkerste hoekje van het aquarium door te dringen; kijk, zij glinsteren, als er weer wat nieuws uit de diepte komt verrijzen. Vragen doet hij zelf niet, maar als hij een van de kijkers aan meester Swammerdam hoort vragen, hoe hij al die beesten zoo levend uit de Oost heeft over kunnen krijgen, komt er een glimlach op zijn gezicht.
Dit is den apotheker niet ontgaan. Al meer dan eens heeft deze hem op den schouder getikt en hem vriendelijk verzocht, niet al het nieuws op eens te willen afneuzen en een ander ook eens een kijkje te gunnen. Dan ging de knaap, den blik onafgewend, alsof hij er niet van scheiden kon, op zijde; maar een poosje later was hij van den anderen kant weer naar voren gedrongen en verdiepte hij zich op nieuw in de beschouwing van die geheimzinnige dierenwereld.
De meester uit „De Star” zei niets meer, en liet het geworden. Toen hij eindelijk zijn zoon last gaf, de kaarsen, die op hun eindje stonden, te dooven, trachtte de hardnekkige kijker nog een oogenblik door te dringen in het nu geheel duistere water, en keerde zich daarop af, om heen te gaan.
Maar Swammerdam hield hem staande en vroeg hem, hoe hij zijn uitstalling vond.
Met schuchteren blik zag de knaap den vriendelijken meester aan; het was of hij droomde, en nog steeds de wonderlijke schepselen van zooeven voor zijn oogen zag bewegen. De meester herhaalde zijn vraag, terwijl hij zijn pijp stopte en zijn hoed opzette, om ook nog even lucht te gaan happen aan den IJ-kant.
„Staat het er morgen ook nog?” klonk zacht de wedervraag.
„Zeker, mijn jongen, en al staat het er niet meer, omdat ik de kast noodig heb voor zalfpotten en poederdoozen, kom dan gerust den winkel binnen. Ik heb nog heel wat grooter en mooier dieren in huis. Jij hebt zeker niet gedacht, dat al die dieren uit de Oost waren gekomen, wel?”
„Neen, meester, dat niet, dat begreep ik wel; maar ik wist toch niet, dat er zooveel verschillende dieren in onze slooten leven, zoo dicht bij ons, vóór ik het u hoorde zeggen.”
„Nu, goeden avond. Ja.... hoe heet je?”
„Antony, meester; Antony van Leeuwenhoek.”
„Wel, Antony, kom zoo vaak je wilt naar het levende water kijken; maar je zult er nu toch al wel alles van gezien hebben, wat er aan te zien is; je hebt er de oogen haast niet afgehad!”
„Ja, maar ik zou er graag nog meer van willen weten. Wat die dieren de heele dag doen; hoe ze eten, ademhalen, zich voortbewegen, hun prooi vangen; en ik zag nog zooveel, dat ik niet goed begrijp!”
„O, staat zoo de zaak; dat doet me genoegen. Maar wat doe je eigenlijk voor de kost? Je moogt er je werktijd niet aan opofferen.”
„Ik ben op een lakenwinkel, meester, ik heb na den middag dikwijls vrijaf, en ik ben hier heel alleen, mijn familie woont in Delft.”
„Wel, Antony, je komt goed bij mijn zoon Jan; die houdt ook bijzonder veel van het bekijken van planten en dieren. Jij bent wel een paar jaar ouder dan hij, schijnt het, maar dat zal er wel niet veel toe doen. Hij wil er morgen middag alleen op uit, de boel wat aan te vullen. Hee, daar is hij net! Jan, hier heb je een kameraad, die je helpen wil, om waterdieren te onderhouden. Maak maar even kennis met elkaar. En dan naar bed, Jan. Dat zou ik jou, Antony, ook maar raden, al staan je oogen nog helder. Kom morgen maar terug.”
Dat was aan geen doove gezegd. Na deze kennismaking was Antony van Leeuwenhoek een trouwe bezoeker van de apotheek „in de Star” en waren hij en Jan Swammerdam onafscheidelijke kameraden.
Te zamen verzorgden zij het aquarium van den apotheker, te zamen gingen zij tochtjes doen in de omstreken van hun woonplaats, om nieuwe planten en dieren te zoeken. Maar bij zoeken en vinden bleef het niet. Antony vooral moest overal het fijne van hebben. Ongelukkig kon de apotheker de beide jeugdige liefhebbers maar zelden op hun vragen een antwoord geven, dat aan hun weetgierigheid voldeed. De jongens deden ook zulke zonderlinge vragen: „Waarom zou toch die groen-zwarte kever, met die gele randen om de dekschilden, telkens met zijn achterlijf boven komen? Als het te doen was om adem te halen, waarom deed dan die groote pikzwarte tor het telkens met een van de sprieten?” Of wel: „Waarvan zouden toch de kleinste diertjes, die wij zien kunnen, leven? Zouden er in het water nog weer kleinere zijn, die wij niet kunnen zien?”
De jongens maakten het den meester lastig, en zij besteedden er meer tijd aan, dan Jan’s studiën en Antony’s ambacht gedoogden, meende hij. Hij vreesde, dat hun beste leertijd verloren zou gaan, met—zooals hij zich eens uitdrukte—„dat waarnemen van saken, daar niet een duyt winst van quam, en die niets aenbragten van dat, hetgeen noodsakelijk was om te leven.”
Och, had meester Swammerdam maar eens even in de toekomst kunnen lezen, zooals wij in het verleden, dan zou hij in die twee jongens, die daar, peinzend over allerlei raadselen, in het troebele water van het aquarium tuurden, twee beroemde mannen gezien hebben, die eens de geheele geleerde en ongeleerde wereld zouden verbazen met het antwoord, dat zij zelve gaven op vele van de vragen, die zij als kinderen tot den apotheker richtten.
Jan Swammerdam en Anthony van Leeuwenhoek!
The book keeps going
Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.



Scenes Storieta drew for other classics.
New illustrated classics
Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.