
Public-domain ebook
Winter
Language: nl301 downloads on Project Gutenberg
Subjects
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #76866.

Public-domain ebook
Language: nl301 downloads on Project Gutenberg
Subjects
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #76866.
The opening · free to read
VOORWOORD.
„Lente, Zomer, Herfst..... de stijgende lijn, waarvan u in het laatste voorwoord gewaagt, is er. Nu Winter nog..... en dan?”
Hoevelen hebben niet hetzelfde gedacht als de schrijver van bovenstaande regels, die ons kort na het verschijnen van Herfst bereikten. Het is de vraag, die menig verzamelaar heeft beziggehouden, die thans, bij het verschijnen van Winter nog in sterker mate herhaald zal worden.
Welnu, wij willen verzamelaars en belangstellenden niet langer in onzekerheid laten, en althans iets van onze toekomstplannen vertellen. Maar alvorens dit te doen, een enkel woord over Winter.
Dit boek sluit den jaargetijdencyclus. Die collectie van vier albums vormt nu een standaardwerkje, waaruit voor jong en oud een schat van wetenswaardigheden over bloemen, planten en dieren is te putten.
Hoevelen zijn de oogen geopend voor de mooie natuur, door het lezen en bekijken onzer albums? In hoeveel gezinnen zijn onze albums een voortdurende bron van genot!
Nu zijn wij aan het einde van dit tijdperk onzer albumreclame. De terugblik doet ons vol vertrouwen het werk voortzetten op den ingeslagen weg, zoodat Lente, Zomer, Herfst en Winter samen een inleiding zullen vormen tot de volgende albums.
Meer vertellen wij nog niet van onze plannen. De talrijke onomwonden betuigingen van ingenomenheid met onze uitgaven, zijn ons een waarborg, dat ook wat komen zal door onze verzamelaars met blijdschap zal worden begroet!
Maart 1909. Firma VERKADE & COMP.
HET BEGIN VAN DEN WINTER.
De winter begint, wanneer Manus het dak schoonveegt en dat is na den eersten Novemberstorm van beteekenis. Gedurende de heele Octobermaand zijn er ook wel bladeren van de boomen gevallen, doch niet zooveel opeens, dat de pannen vervuilden of de goten verstopt raakten. Nu echter komt alles tegelijk los. De boomen, die eerst nog, ondanks de geleden verliezen, goed in ’t blad zaten, staan daar nu opeens kaal en doorzichtig en weg en bosch ligt duimdiep onder de bonte afgevallen bladeren. Alleen het jonge eikenhakhout, dat op beschutte plaatsen groeit en de dikwerf gesnoeide beukenhagen (100) behouden het afgestorven blad, dat, bruin en droog, de heelen winter door, bij ieder windje kouwelijk ritselt.
Het bladerlooze jaargetijde, de winter, is begonnen. De gevallen bladeren zijn als een voorbode van de sneeuwbuien, die nu gaan volgen. Wij kinderen dreven indertijd de gelijkenis wel zoover, dat we na zulke stormen in en met de afgevallen bladeren speelden als met sneeuw. Wij gooiden er mee, begroeven elkander erin en bovenal leek het een groot genot om een kwartier ver langs den straatweg te loopen, aldoor met de klompen, bij wijze van sneeuwploeg, schuivend in de dikke bladerenlaag. Van herfstweemoed en wintervrees hadden wij geen begrip. Alleen duurde het ons wat lang eer de eigenlijke winter met sneeuw en ijs kwam. Je haalt dan in ’t begin van November, als voor ’t eerst de plassen op straat bevriezen, je schaatsen uit ’t vet, maar dan duurt het nog wel een week of acht, voordat er ernstig aan rijden gedacht kan worden.
Soms lijkt het, alsof het geen winter worden wil. Wel zijn de bladeren van de boomen, de bloemperken dichtgedekt, de stamrozen neergebogen of ingepakt in stroo en sparretakken en heb je iederen dag een gevecht te leveren met je moeder die wil, dat je nu je winterjas aandoet, maar er is van echten winter geen spoor te bekennen.
Het roodborstje zit te zingen in ’t zonnetje, verscheiden bloemen bloeien voor de tweede maal en langs de hagen ziet het groen van duizenden en duizenden kiemplantjes, die het er op wagen om te verschijnen, tegelijk met het wintergraan op den akker. Soms is het zachter dan in Mei, zoodat je nog met het grootste plezier buiten kunt rondslenteren, om paddestoelen te zoeken en te teekenen. Die zijn er nog den heelen winter door, er zijn wel jaren geweest, dat ik de meeste en mooiste vond in de Kerstvacantie.
Veel hangt daarbij van hef weer af. Is de nazomer kil en nat, dan komen al de paddestoelen reeds in Augustus, zooal in 1903 gebeurd is. Blijft het echter lang droog, dan komen dezelfde paddestoelen eerst in November of December. Zoo heb ik de mooie eetbare kluifjeszwam Helvella (3) gevonden in de Groote vacantie, maar ook in de Kerstvacantie, tegelijk met de violette Amethistzwam (1), de ranke Hygrophorus (10), de kleverige Gomphidius (12), de Spitse Morielje (4) en de mooie Wijde Stekelzwam (9).
Deze laatste is een bijzondere vriend van de beukeboomen en daardoor is hij niet altijd even gemakkelijk te vinden. De beukeblaren toch vergaan niet spoedig. Jarenlang blijven zij op den grond liggen, de laag wordt al dikker en dikker, daardoor hebben de paddestoelen de grootste moeite zich er boven te verheffen en als ze erin slagen, dan lijken ze toch nog altijd drenkelingen in de bladerenzee.
Maar staat zoo’n paddestoel op een kaal gewaaide plek, dan is hij prachtig, om te zien met zijn forschen voet en de mooi gewelfde en geplooide geel of oranje gekleurde hoed, waarvan de onderzijde geheel bezet is met mooie, regelmatig geplaatste, dikke stekeltjes, die aan hun oppervlakte de sporen vormen. Deze paddestoel is zeer lekker, ofschoon niet zoo sappig als de zoete Melkzwam (11).
Ik heb bij dat paddestoelen zoeken dikwijls het gevoel, alsof ik een schatgraver ben. Niet, dat er iets mee te verdienen zou zijn, maar je vindt op onverwachte plaatsen soms de allermooiste dingen; fijne koraalzwammetjes, heerlijk naar anijs riekende blauwgroene paddestoeltjes (2) of zoo’n mooie, groote Inoloma (7) met hoog gewelfden, blauwen hoed, omzoomd met bruinen franjerand, even mooi als de kleurige Tricholoma (8).
Het eenige jammer is, zooals ik vroeger al zei, dat je die mooie dingen niet kunt bewaren. Menschen, die heel veel ernst met de studie der paddestoelen maken, leggen er wel een verzameling van aan op spiritus of op formaline, maar daar kunnen wij niet aan beginnen. Het eenige, wat wij kunnen doen, is getrouw nateekenen en kleuren. Ik ken wel jongelui, die zoodoende niet alleen een prachtige verzameling hebben gevormd, die herinnert aan al ’t moois, dat ze hebben gezien, maar die ook nog op den koop toe heel wat vaardigheid in het teekenen en gevoel voor kleur hebben opgedaan. En dat zijn heusch alweer schatten van niet geringe waarde.
De mooiste van alle wonderlijke paddestoelen, dat zijn de aardsterren (6), die vooral in de duinen den heelen winter door te vinden zijn, het meest in dennenbosschen, maar ook tusschen de berken en zelfs wel op open plekken in ’t gras en op ’t mos. Wellicht is daar dan vroeger bosch geweest, want die aardster is toch een echte boschzwam.
Het is wel aardig, om die aardsterren te vinden nog heel jong, voordat ze open gaan. Heel gemakkelijk is dat niet. Je moet dan een plek opzoeken, waar veel verdroogde aardsterren liggen van het vorig jaar en daar dan gaan zoeken tusschen en onder het mos naar bruine, ruwe knolletjes.
Meteen krijg je dan een idee ervan, hoe een vogel moet arbeiden, die zijn kostje uit den grond moet opzoeken. Je kunt uren werken zonder iets te vinden, eens heb ik er — het was voor een tentoonstelling, — op een heelen middag van vlijtig zoeken slechts drie buitgemaakt. Intusschen heeft een vogel, die naar insectenpoppen zoekt, veel op ons voor, daar hij ’t zoeken gewoon is en in zijn snavel bijzonder voor zijn doel geschikte tastorganen bezit.
Nu, wij hebben dus in alle nederigheid een stuk of zes van die bruine knolletjes gevonden. We nemen ze mee naar huis en leggen ze op een groot bord op een laagje mos.
Nu splijt het knolletje open in vier of vijf of meer driehoekige slippen en daarbinnen komt een mooi glad-grijs bolvormig zakje te voorschijn, op een steeltje of niet op een steeltje, met een kraag of zonder kraag, al naar gelang de soort, die wij onderhanden hebben.
Dat zakje krijgt bovenaan een opening, omgeven door fijngerimpeld vlies. En nu komt er bij elken druk uit die opening een bruine stofwolk te voorschijn, juist als bij een stuifbal (5). Er zijn nog altijd menschen, die meenen, dat je blind zou worden, wanneer je die sporen in de oogen kreeg. Daar is natuurlijk niets van aan, die sporen zorgen alleen ervoor, dat er weer nieuwe aardsterretjes komen.
In den eersten tijd gaan die aardsterren nog telkens dicht, wanneer het vochtig weer wordt, later evenwel gaat die gevoeligheid verloren en blijven die mooie zwammen onveranderd open in de hevigste stortbui. Dan jaagt iedere regendroppel een sporenwolk op.
Meestal groeien ze in groepen, vaak zelfs in kringen bij elkander en vormen dan een van de prachtigste versieringen van den grijzen boschbodem.
Ze liggen daar even los als die dingen in ons bord. De eigenlijke plant, waar zij de sporendragers van zijn, is een dunne dradenmassa in de bladaarde. Zoodra de sporen rijp zijn of zelfs nog eerder, laat de aardster zijn zwamlichaam los en leeft dan verder op zichzelf. In Maart en April kunt ge nog sporenwolkjes uit het zakje kloppen; de mooie ster is dan heelemaal verweerd en verdroogd. Ook gebeurt het wel, dat de stormwind die verdroogde sterren opneemt en ze ergens laat vallen, waar ze in ’t geheel niet thuis hooren, hetgeen de berichten van de plantkundigen nog wel eens in de war brengt.
Iedere winterstorm veroorzaakt van die verhuizingen, niet alleen van planten, maar ook wel van dieren, en daarom is ’t wel eens interessant, om na een storm een wandeling te doen langs de zee, in de hoop dat ’t iets opleveren zal. Behalve op overblijfselen van klein zeegedierte, zooals zeesterren, zeeëgels en rogge-eieren hebben we kans op aardige vogels, levend of dood, meestal ’t laatste.
Het zijn vooral de Noordwesterstormen, die den strandwandelaar rijken buit brengen. ’t Is aan de Schotsche kust in den winter vol van allerhande zwemvogels, waaronder er zijn, die zich nogal ver in zee wagen, om hun voedsel te zoeken.
Worden die nu door een barren Noordwester overvallen, dan kunnen ze daar niet tegenin en hebben de keus, òf om voor den wind zich uit de voeten te maken, òf zich zwemmend te redden. Dit laatste lukt nooit, want zelfs de meest geoliede zeevogel wordt nat door de herhaalde stortzeeën of stikt bij de voortdurende onderdompelingen.
We behoeven dan ook niet lang te zoeken in den rommel van de vloedlijn of we vinden een mooi meeuwtje, iets grooter dan de zwartkopmeeuw, maar heelemaal wit en met een mooien gelen snavel. De achterteen, die bij de meeuwen toch al zoo weinig ontwikkeld is, ontbreekt bij deze geheel en al en daarom noemen wij hem de drieteenige zeemeeuw (22).
In Engeland en Schotland nestelt deze meeuw in groot aantal op de rotsen, hij is zelfs zoo verstandig, daar zooveel mogelijk ongenaakbare rotsen voor te nemen, want evenals zooveel andere vogels wordt ook dit mooie dier meedoogenloos vervolgd om zijn eieren en bovenal om zijn witte veeren, die een zeer gezochte versiering vormen voor dameshoeden.
Een eindje verder vinden we een zeekoet (18), dan wat alken (17), een kleine alk (14) en een papegaaiduiker (21). Al deze vogels zijn gemakkelijk te herkennen aan hun lichaamsvorm en aan hun snavels. Hun zwempooten staan ver achterwaarts en op ’t gebied van staarten hebben ze weinig te vertoonen. Dat komt doordat ze de gewoonte hebben van te staan en te gaan met opgericht lichaam. Hun veeren zijn dicht en pelsachtig, zeer vet en vormen een uitmuntende bescherming tegen de koude.
The book keeps going
Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.



Scenes Storieta drew for other classics.
New illustrated classics
Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.