
Public-domain ebook
Blonde duinen
Language: nl225 downloads on Project Gutenberg
Subjects
In: Children & Young Adult Reading·Science - Biology·Nature/Gardening/Animals
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #76743.

Public-domain ebook
Language: nl225 downloads on Project Gutenberg
Subjects
In: Children & Young Adult Reading·Science - Biology·Nature/Gardening/Animals
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #76743.
The opening · free to read
Nu wij aan een tweede reeks van onze Natuur-Albums beginnen, mag ik wel eenige woorden zeggen omtrent de bedoelingen en beteekenis van het werk. Wij mogen wel zeggen, dat de oorspronkelijke bedoeling, de bevordering van den bloei der industrie-inrichtingen van mijn vrienden Verkade, langzamerhand op den achtergrond is geraakt. Wie de Jaargetijden-Albums kant en klaar voor zich heeft, zal allerminst den indruk krijgen, van te doen te hebben met een reclame-uitgave. Wanneer Wenckebach, Voerman, Van Oort en ik aan ’t werk zijn, dan denken wij ook in ’t geheel niet aan de mooie fabriek aan de oevers van de Zaan, maar wel aan de vriendelijke eigenaars, die den gelukkigen inval hebben gehad, alles zoo in te richten, dat tienduizenden jongelui op gemakkelijke en weinig kostbare manier in ’t bezit kunnen komen van goede gekleurde afbeeldingen van onze Nederlandsche planten en dieren. En wij hopen dat hierdoor bevorderd zal worden de omgang met de natuur.
Die schilders weten natuurlijk op een prik, dat zij zonder omgang met de natuur niet zouden kunnen leven of bestaan. En alles, wat ik in mijn leven heb gezien en ondervonden, heeft mij gebracht tot de overtuiging, dat ieder mensch gelukkiger en gezonder moet worden, naarmate hij meer belang stelt in het leven van de planten en dieren om zich heen. Hoe dat nu precies zit, kan ik in het kort bestek van deze voorrede niet gaan uitleggen; het voornaamste is wel, dat de natuurliefde je brengt tot het doen van heerlijke zwerftochten door de mooiste streken van de wereld, dat ze je leert, in een eenvoudig landschap nog oneindig veel moois te zien, en dat je altijd gelegenheid hebt, om aan lieve en mooie dingen te denken. Visschers op de wijde zee, arbeiders op het land, fabriekswerkers in de groote steden hebben mij getuigd, hoe hun werk aangenamer, hun leven rijker is geworden door hun liefde voor bloemen, vogels en insecten.
Het komt er slechts op aan, ze te leeren kennen en wel liefst zoo vroeg mogelijk. Die bekendheid wordt nu ’t gemakkelijkst geschonken door goede gekleurde afbeeldingen.
In onze Jaargetijden-Albums hebben wij reeds ruim vijfhonderd van onze planten en dieren afgebeeld, vijfhonderd van de vele duizenden.
In onze nieuwe reeks wenschen wij hiermee voort te gaan. Wij hopen ’t aantal van onze kennissen uit te breiden en tegelijker tijd wat meer te weten zien te komen van de vrienden, die we alleen nog maar bij name kenden. ’t Spreekt van zelf, dat we niet alles kunnen vertellen—gelukkig niet—maar we hopen toch, dat het genoeg moge zijn, om u aan te sporen tot een wandeling, en om u genoegen te verschaffen op uw tocht.
Wij beginnen met wandelingen door de duinen en hopen u later nog eens rond te leiden door de bosschen, over de hei, langs het water en door de akkers en weiden. Misschien maken we dan voor ouden van dagen en bestuurderessen van kinderwagens ook nog eens een mooi Park-Album. Wie weet?
JAC. P. THIJSSE.
DE KONIJNENJACHT.
Ik had aan veertig jonge meisjes ieder een konijnenschedeltje beloofd. Op de dierkundeles hadden wij het erover gehad, dat ’t leeren van lessen en ’t napraten van wat de leeraar vertelt eigenlijk, nog maar weinig waard is en dat je zooveel mogelijk zelf de dingen moet zien en behandelen. Iedereen kan best eens een zoogdierenschedeltje krijgen, om te zien, hoe dat zit met de beenderen en de tanden, had ik beweerd. De leerlingen spraken mij dat natuurlijk tegen en toen werd ik warm en zei: nu, dan zal ik alleen jullie allemaal een konijnenkop geven en je zorgt dan maar, dat je die bij de volgende repetitie behoorlijk uit ’t hoofd kunt teekenen.
„Goed,” zei de brutaalste van de troep, „als u ons de koppen bezorgt, zullen we ze teekenen, maar geen koppen, geen repetitie”. Aldus werd besloten.
Er liggen zooveel van die koppen in de duinen, dat ik mij geen zorg maakte over de vervulling van mijn belofte. Als ik er telkens een stuk of wat meenam, dan had ik mijn veertigtal gauw bij elkaar.
Maar hoe gaat ’t met die zaken? Er kwamen allerlei dingen tusschen, waardoor ik minder in de duinen werkte dan gewoonlijk en meestal bleef ik dan nog in de berkenboschjes. Zoo naderde de repetitietijd en ik had nog maar acht koppen, die ik eigenlijk niet eens durfde uit te deelen. En als we het op de les hadden over konijnen, knagen, of tanden, dan trok Haantje de Voorste even met haar mondhoeken.
Dat kon zoo niet blijven voortduren en daarom leende ik op een vrijen Zaterdag van mijn vrouw tien sinaasappelen en een paar pak Verkade’s korstjes. Toen riep ik een stuk of vijf kinderen bijeen, liet doorschemeren, dat ik te beschikken had over die eetwaren en vroeg toen, of ze met mij een tocht wilden maken door de duinen naar het Tweetoppenduin, om veertig konijnenkoppen te zoeken. Of ze wilden! Zonder de korstjes en de sinaasappels had ik ze ook wel meegekregen, maar die verhoogden toch ’t genot. Ik had van de eigenaren permissie, om in die duinen te loopen.
Het was in ’t begin van April, een beetje koud, maar helder, en ’t zonnetje straalde lekker over duin en dal. De fitisjes waren nog niet aangekomen, maar boomleeuwerikken (37) zongen, dat het een lust was. Die zingen heel anders dan de gewone leeuwerikken en hun vlucht verschilt ook veel. Een gewone leeuwerik gaat recht omhoog tegen den wind in, of hij draait in een schroeflijn naar boven, een boomleeuwerik echter gaat niet eens heel hoog en blijft dan rondzwieren in allerlei richtingen. Daarbij fladdert hij dan met zijn breede vleugels heelemaal op de manier van een vleermuis. Hij maakt een heel mooi, helder en kalm geluid, dat herinnert aan ’t mooie roepen van steltloopers. De kinderen kenden hem gauw en beloofden, dat ze ook naar zijn nest zouden uitkijken, dat gelijk met den grond ligt, tusschen ’t gras. We behandelden het heele geval als een jacht. Ik had mijn vijftal opgesteld met afstanden van vijftig meter en nu was de bedoeling, dat we zoo met een breed front zouden optrekken naar een hooge duin, die ons meestal tot rustplaats dient. De twee grootste jongens had ik geplaatst op de uiterste vleugels, de kleintjes in ’t midden en ikzelf kwam wat achteraan, om overal tegelijk te kunnen wezen. Zoo zouden we dan een strook van tweehonderd meter breed degelijk afzoeken.
Het was prachtig bedacht, maar laat ik maar dadelijk zeggen, dat we het niet lang volhielden. Zoolang ze nog niets vonden, ging ’t opperbest en zelfs als er van tijd tot tijd een schreeuwde: „ik heb er een”, dan bleven de anderen nog wel in hun lijn voortgaan. Maar toen er een gilde: „een levend konijn in een strik” was mijn heele slagorde opeens verbroken en stonden we spoedig hijgend rondom het stakkertje, dat daar worstelde met den dood. Hij huilde als een klein kind. Door al zijn trekken en springen had hij de strik al zoo stijf dichtgetrokken, dat ik met moeite mijn vingers kon krijgen tusschen ’t gedraaide koperdraad en zijn nekje. Bovendien probeerde hij nog mij te krabben en hij zat vol ongedierte. Ons meisje begon haast te huilen en ook de jongens keken bezorgd, maar eindelijk kreeg ik de strik toch los. En toen had je dat konijn (13) eens moeten zien hollen.
De strik was geplaatst geheel volgens de regelen der kunst. Die konijnen loopen altijd langs vaste wegen van hun hol naar hun vergader- of voederplaatsen, smalle paadjes door ’t lage kruid of enge tunneltjes door ’t hooge gras. De strooper omspant met zijn strik juist dat heele pad en liefst op een plek, waar hij vermoeden mag dat ’t beest niet al te hard of niet al te zacht loopen zal. Hij loopt er dan in, de strik, die aan een klein paaltje stevig is bevestigd, schuift toe en ’t dier worgt zichzelf bij zijn pogingen om te ontsnappen.
’t Is natuurlijk streng verboden, om strikken te zetten, maar er wordt nog al eens veel gezondigd. Wij waren natuurlijk bijster tevreden over de verrichte redding, maar ik vrees, dat mijn jagers nu meer naar levende konijnen dan naar gebleekte schedeltjes uitzagen.
Nu, er waren er genoeg te zien, als je maar weet waar ze zitten. Er was een steile helling, dichtbegroeid met nog bladerlooze duindoorns en juist in ’t zonnetje. Wij kropen heel stil achter een klein ruggetje en toen konden we onder die dorens tientallen van konijnen zien, die daar kalmpjes rondsprongen en zich te goed deden aan de jonge zeggesprietjes, die juist uit den grond kwamen. Onder de dikke, zwarte duindoornknoesten leeken ’t net grijze spoken.
Een van onze kleine jagertjes stak zijn neus wat te ver boven ons heuveltje uit en dadelijk zaten toen al die konijnen doodstil (11), sommigen rechtop, gewoon zittend, andere plat tegen den grond gedrukt, de ooren in den nek. Als we niet geweten hadden, dat ze daar waren, dan hadden we ze nooit gezien en toen ik met mijn verrekijker die helling afzocht vond ik er nog veel meer, allemaal als ’t ware versteend en met wezenlooze trekken.
Toen wij ons vertoonden, sloeg de heele familie op de vlucht, de witte staartjes gleden langs de helling en verdwenen een voor een in de holen.
Ik wist, dat daar veel bewoonde holen lagen; dat had ik gezien op oudejaarsdag. Het was toen helder weer en ’t vroor dat ’t kraakte, met mooie blauwe lucht en zonneschijn en nog al aardig wat wind. Nevel was er niet, dus ook geen rijp, alleen fijne randjes aan de levende grasbladeren. Doch hier en daar in ’t veld en op de helling waren sommige plekken prachtig mooi berijpt, heele ijspaleizen. Dat was boven den ingang van bewoonde konijnenholen. De waterdamp, die de dieren uitademden bevroor in de takjes en sprietjes rondom den ingang van ’t nest en zoo kon je dan prachtig zien, dat er iemand thuis was. Ik vond het heel aardig, om daar over een groote uitgestrektheid al die konijnenhuisjes met hun kristallen poorten te zien schitteren in de zon.
Op deze plek vonden wij nu ook de meeste koppen en zelfs een bijna geheel gaaf geraamte. Dat gebeurt anders niet zoo dikwijls, want zoo’n konijn wordt meestal door allerlei liefhebbers bij stukjes en beetjes verorberd en die versleepen dan de brokken naar alle kanten. Ook zinken in ’t rulle zand de fijne beentjes en de onderkaken gauw weg, zoodat je meestal alleen maar de schedel zonder onderkaak vindt. Doch daarmee was ik dan ook tevreden.
’t Zijn mooie dingetjes, in ’t geheel niet griezelig. Ze zijn schoon gegeten door de mieren, schoon geschuurd door ’t zand, schoon gespoeld door ’t regenwater en nu komen al de afzonderlijke beentjes, waaruit zoo’n schedel bestaat, prachtig te zien met al hun aardige verbindingen en fijn à-jour-werk.
Toen we ons rustpunt bereikten, hadden we er al zesentwintig gevonden, waaronder drie van kleintjes, met melkgebit. Die hadden in iederen mondhoek niet zes, maar drie kiesjes.
Wij zochten nu een windvrij, zonnig hoekje, om wat te rusten en om die provisies uit den weg te ruimen, wat gauw genoeg ging en we hielden niets over.
Het was op dit plekje al echt aan ’t zomeren en ’t stond er vol met fijne mooie bloempjes: voorjaarsvroegeling, hoornbloem en steenbreek. We hadden er aardigheid in, om de kleinste plantjes te zoeken, want op droge plekken vind je in de duinen soms ongelooflijk kleine dwergjes. Wij vonden dan ook een vroegeling, die nog geen centimeter lang was, ofschoon hij zich toch verheugde in ’t bezit van een wortelrozet, een bloeistengel en een tros van bloemen.
The book keeps going
Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.



Scenes Storieta drew for other classics.
New illustrated classics
Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.