
Public-domain ebook
In de koffie: Oorspronkelijke Indische Roman
Dutch400 downloads on Project GutenbergDownload EPUB
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #69366.

Public-domain ebook
Dutch400 downloads on Project GutenbergDownload EPUB
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #69366.
The opening · free to read
De zon schoot haar stralen door de ijle lucht in het hooge gebergte. Op het pad, slechts weinig beschaduwd door de van de hooge uitkapping overbuigende glagah, [1] stak zij met geweldige kracht de kleine ruiterschaar, die stapvoets tegen de sterke helling opklom. Hetzij door de warmte, of door de omstandigheid dat de breedte van het pad niet toeliet dat hun paarden naast elkaar gingen, doch de twee Europeanen die voorop reden, wisselden slechts weinig woorden; af en toe vroeg de voorste naar de benaming der streken, die zij doortrokken; welke vragen door bemiddeling van den tweede, werden beantwoord door den inlander, die nommer drie was in de rij.
Hij die vooraan reed, was niet jong meer, getuige de grijzende knevel en bakkebaarden die het mannelijk gelaat sierden. Donkergrijze oogen zagen u scherp en toch vertrouwenwekkend aan; een lange reeks jaren in de open lucht doorgebracht, hadden de gelaatskleur gebruind; en zou dit misschien bij een deftige zwarte kleeding misstaan hebben, boven het wit der half jas, half kabaja kwam het voordeelig uit. Slechts bij een zeer nauwkeurig opnemen bespeurde men dat de ruiter in zijn voorkomen iets had, dat Indisch bloed verried; aan zijn uitspraak van het hollandsch, noch aan eenig gebaar zou men het bemerkt hebben.
Deed degeen, die op hem volgde, niet in lichaamsgestalte voor den heer Messner onder, wie hem in de oogen zag, gesteld dat het u gelukte zijn blik langer dan een gedeelte van een seconde op te vangen, voelde onwillekeurig een huivering, iets dat hem als het ware noopte waarschuwend uit te roepen: pas op den deze! Zag men die oogen niet, wier blauw uit een donkeren en een lichten kring bestond, dan moest men erkennen, dat Korman eveneens een knap voorkomen had. Hij had den naam van groote doortastendheid en energie, en beide eigenschappen stonden hem op ’t gelaat geteekend, maar die oogen.... men moest er aan wennen; en dat deed men te gemakkelijker, daar hij u altijd tegen zijn linker of rechter wang liet praten.
Zij verschilden aanmerkelijk in leeftijd, Messner had de vijftig reeds achter den rug, terwijl Korman eerst even acht en dertig jaar oud was. Lang geleden hadden zij elkaar ontmoet; zij waren toen in betrekking op een koffieland, en de aanleiding tot hun vriendschap was éénzelfde gedachte geweest, die hen beide beheerschte: eigen zaken doen. De oudere had daartoe willen geraken door te sparen; langzaam maar zeker groeide zijn kapitaaltje aan, maar ach hoe langzaam! De jongere had geen geduld; hij wilde dadelijk beginnen; ieder jaar was er één, waarom zou men het verspillen? Hij overtuigde eindelijk zijn ouderen vriend dat zij met de duizenden van deze, vermeerderd met de honderden van hem zelf, gevoegelijk een zaakje konden opzetten. Wel bedroeg hun beider schat niet veel, niet genoeg voor een koffielandje hoe klein ook, maar.... men kon het eens in de tabak probeeren, daar had men meer voorbeelden van réussite bij gezien.
Twaalf jaar hadden zij samen gewerkt, om aan het einde daarvan nog even ver te zijn als toen zij begonnen, of eigenlijk nog niet eens zoover; want toenmaals hadden zij hun geld boven den grond, en thans zat het er in, zonder dat zij veel kans zagen het er ooit weer geheel uit te krijgen. Toch kon men niet zeggen dat zij ongelukkig waren geweest, maar hun kapitaal was te klein; met hard werken was er van te leven, doch van overhouden was geen sprake. Daartoe moest men met veel, heel veel geld werken, of zij hadden twintig jaar eerder moeten beginnen, zooals hun buurman, die naar men zeide, óók met niets begonnen was en onlangs met een paar millioen „naar huis was gegaan”. Ja, die oude heer Benoit had geboft; en ook weer niet, want hij kon het Europeesch klimaat niet verdragen en had daarom hals over kop moeten terugkomen naar Indië, en zich in een mooi huis opgesloten te Soerabaja, om er te blijven wonen in betrekkelijke ontbering, niettegenstaande al zijn geld!
Op zekeren dag kwam Korman ’s avonds in de gezamenlijke woning thuis, liet zijn zonnehoed door het vertrek gieren en viel op een stoel neer onder den uitroep: „Ik verdom het langer.”
„Wat?” vroeg zijn compagnon, die ook pas terug van het werk, in een luierstoel lag uit te rusten.
„Zóó te werken,” was het antwoord. „Heb ik daar niet den heelen middag achter den ploeg moeten loopen, omdat die uilskuikens het maar niet kunnen leeren! Ik ga morgen naar Soerabaja.”
„Ga voort,” verzocht Messner.
„Ik ga den ouden Benoit opzoeken en om werkkapitaal vragen. Weigert hij, dan ga ik liever weer in betrekking; maar dit is niet uit te houden; ik herhaal het, ik....”
„We weten het,” zeide Messner. „Nu, ’t idée is zoo kwaad niet; probeer het, en lukt het niet, dan kunnen wij nog altijd zien. Voor één is in dit zaakje nog wel brood te verdienen.”
„Neen,” zeide Korman, „geen brood; dit kun je in Holland verdienen; hier is het nauwelijks droge rijst.”
Met schoenen aan, die hij ontwend was, en vreeselijk transpireerende in een kleeding die hij in geen jaren gedragen had, kwam Korman den eersten avond bij den heer Benoit. Nog drie avonden herhaalde hij zijn bezoek, doch zonder te spreken over hetgeen hem op dezen tocht gedreven had, toen Benoit hem eindelijk zelf op de zaak bracht.
„Je komt om duiten, hè?” vroeg hij aan Korman.
„Ja meneer,” zeide deze. Hij kende den ouden heer, en wist dat men hem tot veel kon overhalen, mits men hem flink aandurfde zoodra hij genoeg had nagedacht over hetgeen men van hem verlangde. En dat laatste moest Benoit zelf als ’t ware uitvinden; want als men het hem in ronde woorden vroeg of voorstelde, dan sprak de oude zonderling de twee eenige woorden uit die hij van het latijn kende: Non possumus! en daarbij bleef het.
„Dat begreep ik; iedereen komt om duiten bij mij, maar je krijgt ze niet.”
„Geen latijn,” dacht Korman, en overluid zeide hij, „Ik wel.”
„Haha!” lachte Benoit. „Neen vriend, je vergist je. Dat wil zeggen, als ik iemand aan geld zou willen helpen, dan zou jij dat zijn. Ik heb je zien werken, jou en dien ander.... Ik heb nooit zoo hard gewerkt; dat is waar! Maar de tabak staat me niet aan; dat is een te gevaarlijke zaak.”
„U hebt er toch zelf goede zaken mee gemaakt,” merkte Korman aan.
„Juist daarom weet ik er alles van. Met dobbelen kun je ook geld verdienen, en veel hooger schat ik tabakplanten niet. Neen man, ik wil mijn geld niet wegsmijten. Een solide koffieonderneming zou me wel lijken; als jij dát kon ...”
„Ik ken het,” zeide Korman. „Ik kwam uit de koffie, en zou nooit iets anders begonnen zijn, als we maar meer kapitaal hadden gehad.”
„Zie je nu wel,” zeide Benoit. „Daar geef je me al gelijk! Met een snertbeetje geld gauw en veel verdienen, rouge ou noir, va banque, jawel, dat is het. Maar als jij dat zelf zoo goed wist, hoe durf je mij dan aankomen om duiten voor je tabak?”
Korman vergat zijn leven lang het oogenblik niet dat hij thans doorleefde. Zou hij...? Tijd tot bedenken was er niet ... hij moest! Met een gevoel of hij plotseling in een koud water sprong, loog hij:
„Ik kwam niet om geld voor tabak. Veel liever hing ik me op, dan u daarom te vragen. Te goed weet ik zelf wat u daareven zei. Ik vraag geld om een koffieonderneming te beginnen.” En hij martelde zich om gedurende twee minuten den ouden heer recht in de spottende oogen te zien.
„’t Is sterk!” riep Benoit eindelijk uit... „Maar soedah! [2] ik werk liever met een pinteren gladakker [3] dan met een eerlijken stommerik; je kunt geld van me krijgen.”
Korman bleef nog drie dagen en toen was alles geregeld.
„Apropos,” had Benoit nog gevraagd, „neem je dien compagnon van je mee?”
„Natuurlijk meneer,” antwoordde Korman. „Wij werken al sinds zooveel jaren samen; zou ik hem nu in den steek laten? Hij zal mijn rechterhand zijn, en later onderadministrateur.”
Maar de oude heer had het hoofd geschud.
„Neen,” zeide hij. „Dat gaat nooit goed. Jelui hebben altijd evenveel te commandeeren gehad en hij is de oudste... Is hij zelfstandig geheel te vertrouwen?”
„Te vertrouwen in allen opzichte wat zijn eerlijkheid betreft, doch eenige contrôle op zijn werk kan hij velen,” gaf Korman ten antwoord.
„Zoek een driehonderd bouws voor hem uit, niet te ver van je vandaan,” zeide Benoit. „Jij kunt dan voor superintendent spelen.”
Korman kwam bij zijn compagnon terug, een geheel ander mensch dan een week geleden. Hij deelde Messner mee wat hij met den heer Benoit had afgehandeld; althans voor zoover hij dat kon en wilde.
„Zie je,” zeide hij, „de oude wil van mijn land iets maken waarop hij geuren kan. Daarom moet het zóó groot zijn, dat hij er als ’t ware alle anderen de loef mee afsteekt. Hij wou ons niet samen laten werken: dus moest jij een ander land zoeken. Enne ... dat is waar ook, hij wilde absoluut dat je administratie over mij tot hem kwam ... zoo’n beetje superintendeeren. Ik weigerde eerst en zei dat het omgekeerd beter zou gaan, enzoovoort, maar hij werd eindelijk boos en zei „Nu, doen of niet doen?” Toen heb ik maar voor je aangenomen; dat begrijp je. Je vindt het immers goed?”
„Och ja,” zeide Messner, die te blij was met deze uitkomst, om veel te letten op het krenkende dat voor hem in die bepaling lag opgesloten.
En nu waren zij op weg naar de woeste gronden, die Korman voor zich had uitgezocht.
Achter hen reed de wedhono [4] van Wonosarie, onder wiens gebied de verlangde gronden lagen, en die zich had laten vinden om mede te gaan, ten einde mogelijke kleine vergoedingen aan de bevolking in ’t reine te helpen brengen.
„Poeniko lêpên-ipoen,” [5] klonk een diepe stem uit de achterhoede, de woorden uitende alsof zij hardop gedacht waren.
De wedhono had even het hoofd bewogen ten teeken dat hij het gehoord had, en wachtte geruimen tijd eer hij nader blijk gaf dat de gesproken woorden betrekking hadden op den tocht van heden. Toen zeide hij, zich tot Korman wendende:
„Daar begint het land van mijnheer.”
The book keeps going
Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.



Scenes Storieta drew for other classics.
New illustrated classics
Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.