Storieta
English
Sign up

The opening · free to read

Het Politieraadsel

EERSTE HOOFDSTUK.

DE GOUVERNANTE.

De gouden avondzon daalde met purperen gloed neer achter de grillige rotsengroepen, die het aloude kasteel „Bartram-Haugh”, in Derbyshire, omgaven, als waren zij onwrikbare schildwachten, geroepen tot bewaking van een dierbaren schat.

En inderdaad!

„Bartram-Haugh” wàs een schat van groote waarde.

Gebouwd op een heuvel, te midden van een buitengewoon groot en vruchtbaar dal, in de verte—zooals reeds gezegd—omgeven door hooge, woeste rotsen, geleek het groote, uit grijze, verweerde steenen bestaande gebouw op een sprookjesslot, waar geheimzinnige prinsen of prinsessen hun jeugd moesten doorbrengen.

Er was een breede, diepe gracht om het aloude gebouw... nog een ophaalbrug, die knarsend en piepend iederen avond opgehaald, elken morgen neergelaten werd.

Deze brug gaf toegang tot een diep ingebouwde poort, die op haar beurt den weg opende naar de ruime binnenplaats, waar men het kasteel zag staan, de keukens, de woningen voor het dienstpersoneel en de stallen.

Een vrij hooge, doch kolossaal dikke muur omringde bovendien het kasteel. Deze muur was evenwel zoo dicht begroeid met klimopranken, met wilde wingerdplanten, dat het scheen, alsof één groote bovennatuurlijke haag gegroeid was om Bartram-Haugh.

Vroeger, in de tijden van binnenlandsche onlusten, toen de verschillende graven of landeigenaars elkander menigmaal bevochten, toen er nog ridderspelen gehouden werden, had dit slot een buitengewone vermaardheid gehad, omdat een van Engeland’s graven,—Cedric van Derbyshire—zijn roem als vechtersbaas gevestigd had allerwege waar edellieden woonden. Menigmaal had de oude brug, gemaakt van het allerbeste hout en beslagen met ettelijke kilo’s ijzer, gedreund onder den machtigen hoefslag van honderden paarden, die tal van edellieden naar Bartram-Haugh brachten, opgaande naar het feest dat Cedric van Derbyshire tweemalen per jaar gaf.

Toen ook waren daarbinnen, in de zalen, vele menschen, was er veel, zeer veel personeel, en waren de stallen stampvol van ’t beste rundvee, de zwaarste ossen, de edelste paarden.

Tijden waren gekomen... gegaan...

Cedric stierf, werd opgevolgd door zijn zoons..... deze ook weer door nieuwere, jongere loten van hun stam, en steeds maar weer was de tijd al maar moderner geworden.

Doch de laatste der nakomelingen van Cedric van Derbyshire was een conservatief man, die verre stond van den tijd waarin hij leefde, en die eenzaam, gansch en al verlaten, zijn tijd doorbracht met een ouden getrouwen dienaar.

Deze laatste „van Derbyshire” was ongetrouwd, en geen enkel familielid bezat hij op de gansche wereld.

Slechts aan één wezen had hij zich gehecht. Het was de oude dienaar Ralp.

Tegen het tijdstip, dat van Derbyshire—de man wilde nooit een dokter hebben—voelde dat hij aan zijn einde kwam, riep hij Ralp, en zeide:

—Ralp, oude jongen, je meester gaat dood. Ik heb er geen spijt van. Waar vindt men tegenwoordig nog edellieden? Waar arbeiders? Alles is even gelijk. Onderscheid is er niet meer. Ik heb er genoeg van. Ik laat jou achter. Je weet, ik bezit geen erfgenaam en ik veracht het land dat willens en wetens den ouden adel niet meer handhaaft... Ik wil daarmee zeggen dat ik dit kasteel, je weet, veel méér bezit ik niet, aan jou vermaak. Maar je weet ook dat ik nooit dulden zou dat de bezitting mijner vaderen ooit in handen komen zal van iemand die geen ridder is. Jij bent niet van adel. Jij hebt wel geen blauw bloed in de aderen, maar je bent een trouwe kerel geweest èn van je geboorte af op dit slot. Voor ik nu dood ga, wil ik je ridder maken. Haal mij den degen met gouden gevest, dien Cedric, de eerste van ons geslacht, heeft laten smeden. Ga!

Ralp was heengesloft en keerde daarna terug met den degen in de hand.

Van Derbyshire was opgestaan... had den degen genomen en had den inmiddels voor hem neergeknielden Ralp drie zachte slagen gegeven op het hoofd en beide schouders, ten teeken dat Ralp tot ridder was gekozen.

Daarna had Ralp’s meester het kasteel Bartram-Haugh gegeven aan hem en zou het slot toebehooren aan den ouden Ralp, die met zijn vrouw en eenigen zoon woonde in het lage huisje vlak bij de poort.

De laatste afstammeling der Derbyshire’s was enkele weken later gestorven, eenzaam, gansch en al vergeten, zooals hij ook geleefd had. Wars van alles, conservatief in hart en nieren, ging hij heen, en werd verzameld in het familiegraf onder het oude, oude kasteel.

Ralp was toen bezitter geworden van het kasteel en hoewel de oude, eenvoudig als altijd, zijn laatste levensdagen sleet, zijn zoon was niet zoo nederig.

Deze meende schatten te hebben verkregen, toog naar de steden en leefde daar een leventje van „vroolijken Frans”.

Waar hij kwam, toonde hij de stukken papier, welke bewezen dat zijn vader eigenaar was van Bartram-Haugh.

Woekeraars gaven geld op het kasteel en Ralp’s zoon werd van dag tot dag roekeloozer en liep steeds meer en meer den afgrond tegemoet.

Toen waren de oude Ralp en zijn vrouw gestorven en het kasteel werd het eigendom van den jongen Ralp, die een naam had gekregen als „de woesteling”.

Duizenden guldens had hij opgeteerd en als een onverzadelijke veelvraat had hij voortdurend meer noodig.

Daarop was het oogenblik gekomen dat de jonge Ralp het kasteel „Bartram-Haugh” verkoopen moest.

Enkele duizenden guldens kreeg hij nog, doch toen hij deze verdwijnen liet in zijn zakken, was hij ook niet meer de eigenaar van het aloude slot.

Jaren snelden heen.

De woekeraar, die het slot in handen had, had menigmaal koopers gezocht, doch nooit gevonden.

Op zekeren dag evenwel, nu al vele, vele jaren geleden, had de woekeraar een kreet van verrassing niet kunnen weerhouden, want een fier heer, gezeten op een edel rijdier, had stilgehouden voor de woning van den eigenaar van het kasteel „Bartram-Haugh”.

De heer had een oude, vergeelde courant uit een binnenzak gehaald en had met zorg nog eens gelezen:

Te Koop Aangeboden

het aloude kasteel „Bartram-Haugh”. Prachtige ligging, zeldzaam schoon bezit. Uitstekend geschikt voor edellieden die rust verlangen. Te bevragen bij Mac Lahyn te Derbyshire.

Mac Lahyn had zich in de handen gewreven, toen de heer was afgestegen, de deur had geopend en gevraagd:

—„Bartram-Haugh”, het kasteel, is dat nog te koop?

—Zeker, edele heer—had Mac geantwoord.—Komt u binnen!

—Dank u. Weinig tijd. Kan ik het gebouw zien?

Alles kortaf, op schier bevelenden toon, had de vreemde heer gesproken en Mac kon niets beters bedenken dan àl maar buigend te zeggen:

The book keeps going

Keep reading, and see it illustrated

Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.

Illustrated scene from The Great GatsbyIllustrated scene from Pride and PrejudiceIllustrated scene from Alice's Adventures in Wonderland

Scenes Storieta drew for other classics.

New illustrated classics

A new classic, drawn, in your inbox.

Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.